Hildebrandstraat 14
5242 GE Rosmalen
06-20406009
073-5217753
b.vandermeer@home.nl
http://www.bobvandermeer.info
http://www.bullying.nl

Het gebruik van de regels en pictogrammen | Afdrukken |  E-mail

Bij gebruik van onderstaande tekst wordt de volgende notatie gebruikt:
Meer, B. van der (2011). Het gebruik van de FWF-regels en -pictogrammen. Rosmalen: E2V2, www.pesten.net
Ondrstaande tekst kan slechts worden gebruikt voor eigen professionalisering. Elk ander gebruik is/wordt daarmee uitgesloten. 

In tegenstelling tot andere methoden schrijft deze methode niet voor hoe de regels en de kaarten moeten worden gebruikt. Dit wordt geheel aan het inzicht en de creativiteit van iedere individuele leerkracht overgelaten. Hieronder - heel in het algemeen - het waarom van de regels. In Achtergrondinformatie per regel wordt vervolgens uitgebreider ingegaan op het nut en het waarom van elke regel en komen daarna in Lessuggesties per regel mogelijke lessuggesties aan de orde.
Nu dan eerst - zeer in het algemeen - het waarom van de regels en, als er lessuggesties voorhanden zijn, vermelding ervan.

1  ‘Zoals je eruit ziet is het goed’
Wanneer u ziet dat een kind wordt uitgelachen omdat het ‘anders’ is dan de andere kinderen, kunt u vertellen dat u dat niet leuk vindt, de kaart ophangen en uitleggen dat ieder kind ‘anders’ is. Daarna kan aan het kind worden gevraagd één verschil met een andere leerling te noemen. Noemt het kind een verschil, dan geeft u het een compliment. Op deze manier aangepakt worden de verschillen belangrijker gemaakt en het gemiddelde of de norm minder belangrijk.
Lessuggestie 1: De club van de rare kinderen uit de methode Schatkist van uitgeverij Zwijsen in Tilburg. Aangezien deze lessuggestie in de nieuwe druk niet is opgenomen, heb ik contact opgenomen met Zwijsen. Zodra Zwijsen heeft gereageerd, zal ik dit melden. Het heeft lange tijd geduurd, maar ik heb nu de naam van iemand binnen Zwijsen met wie ik in 2012 een gesprek zal hebben.
Lessuggestie 2: Een (gedeelte van een) boek over ‘anders zijn’ aan de kinderen voorlezen. Zodra ik wat tijd heb zal ik een rubriek openen met een overzicht van voorleesboeken over 'anders' zijn. Houd hiervoor de rubriek Nieuws in de gaten.

‘Kom niet aan een ander kind als die dat niet wil’
Fysieke agressie komt, zoals aangetoond in het onderzoek van de Universiteit van Utrecht bij leerlingen van groepen 1-3, veel vaker voor dan gedacht en kan door deze regel in goede banen worden geleid. De regel maakt duidelijk dat je lijf van jezelf is, waar niemand, zonder jouw toestemming, aan mag zitten en geeft daarmee een mooi signaal aan mishandelde of misbruikte leerlingen. Door deze regel voortdurend te hanteren en uit te leggen, kunnen de onderwerpen kindermishandeling of seksueel misbruik in hogere klassen op ‘natuurlijke’ wijze aan de orde worden gesteld. Wel moeten we oppassen kinderen bang te maken elkaar aan te raken. Kinderen van deze leeftijd zijn heel fysiek ingesteld.

‘Maak geen dingen stuk bij het spelen’
Bij deze regel gaat het derhalve niet om fysieke agressie ten opzichte van elkaar, maar tegen spullen van de school. Leerlingen van deze leeftijd zullen dit niet met opzet doen. Gebeurt het, dan zullen ze zich in de meeste gevallen schuldig voelen en zich verontschuldigen. Wanneer kinderen echter voortdurend en met opzet dingen kapot maken, dan is dat in veel gevallen een signaal van een ander – onderliggend – probleem. Welk, dat is dan de vraag die aan een deskundige moet worden voorgelegd: IB-er, medewerk(st)er van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG).

‘Als je ziet dat een kind verdrietig is, help hem dan’
Dit is een regel die kinderen vaak al uit eigen beweging toepassen. De kaart is daarmee echter niet overbodig. Ze benadrukt namelijk empathie, de eigenschap om zich in te kunnen leven in de gevoelens van andere kinderen. Hiermee moet zo jong mogelijk worden begonnen, temeer omdat is aangetoond dat echte pesters over weinig empathisch vermogen beschikken.

‘Als je mee wilt spelen, vraag dat dan eerst’
is om twee redenen een belangrijke regel. In de eerste plaats omdat sommige kinderen zich zeer bazig en ruw aan andere kinderen opdringen, waardoor zij zich overweldigd voelen en zich daardoor terugtrekken. En in de tweede plaats omdat in hogere leerjaren, wanneer een leerling aan anderen vraagt of hij/zij mee mag spelen, deze leerling  slechts onder zeer strikte voorwaarden mag worden geweigerd. Dit om het buitensluiten van steeds dezelfde leerlingen te voorkomen.

‘Als een kind alleen is, vraag dan of hij mee wil spelen’
Het doel van deze regel is drieledig. Enerzijds doet ze een beroep op het empathisch vermogen van een kind: zien dat een kind alleen is. Anderzijds zet de regel aan tot het oefenen van sociale vaardigheden: op een ander durven toe te stappen en durven te vragen mee te spelen. En tot slot leert deze regel leerlingen dat sommige leerlingen zó verlegen zijn dat ze zelfs niet durven te vragen om mee te mogen spelen en wordt op deze manier voorkomen dat leerlingen soms ook al in het basisonderwijs aan hun vader of moeder vertellen dat niemand in de klas men hen praat.

7  ‘Je mag elkaar niet uitlachen of uitschelden’
Dit zijn twee regels die al op zeer jonge leeftijd aan de orde moeten worden gesteld. ‘Je mag elkaar niet uitlachen’ is in feite regel 1, maar dan negatief geformuleerd. En ‘Je mag elkaar niet uitschelden’ heeft te maken met scheld- en schuttingwoorden die kinderen al op zeer jonge leeftijd kunnen gebruiken. Als je hoort welke termen leerlingen in hogere groepen gebruiken om elkaar uit te schelden, is het goed dit gedrag in de kiem te smoren en hierbij ook de ouders in te schakelen. Het is namelijk de bedoeling dat de ouders op de hoogte gesteld van (het waarom van) de regels, met het verzoek de regels ook zelf toe te passen en hun kinderen te corrigeren.
Lessuggestie: Een (gedeelte van een) boek over uitlachen aan de kinderen voorlezen.

‘Noem andere kinderen bij de voornaam’
Iedere leerling is anders, alleen al vanwege het feit dat iedere leerling een eigen naam heeft. Het probleem echter is dat leerlingen vaak voor elkaar bijnamen verzinnen. Soms zijn de bijnamen leuk, in veel gevallen stuitend en hebben kinderen die dit is overkomen eronder geleden. Dus zodra een leerling voor een ander een bijnaam verzint en gebruikt, wordt regel 8 opgehangen, uitgelegd waarom alleen de voornamen voor elkaar worden gebruikt en wordt de regel  consequent toegepast. Een tegenargument van leerkrachten dat leerlingen ook veel humoristische of lieve bijnamen voor elkaar verzinnen, ouders voor hun kinderen gebruiken of dat zij het zelf ook doen voor sommige van hun leerlingen, snijdt geen hout. De nadelen staan niet in verhouding tot de voordelen. Ik krijg teveel brieven en mails van ex-slachtoffers die zeggen geleden te hebben van dit soort humor.

‘Laat een ander kind met rust als die iets aan het doen is’
Deze regel heeft alles te maken met regels 5 en 6. Ze leert dat een leerling ook ‘nee’ mag zeggen. De reden kan zijn dat de leerling zich even terug wil trekken en – even – alleen wil zijn. Ook dat mag en is niet gek.

10 ‘Zit niet aan de spullen van een ander’
Kennis over het mijn en dijn is bij leerlingen van deze leeftijd (nog) niet zo goed ontwikkeld. Speelgoed van anderen is altijd interessanter dan waarmee ze zelf bezig zijn. Wanneer u ziet dat een leerling voortdurend aan de spullen van een ander zit, wordt de regel opgehangen en geeft u uitleg over het feit dat je niet spullen of speelgoed van andere kinderen afpakt. Het pictogram biedt een uitgelezen kans om leerlingen te leren hoe ze, zonder geweld te gebruiken, ook eens mogen spelen met dingen die ze leuk vinden.
Lessuggestie: Jasmijn en Bertje uit de methode Schatkist van uitgeverij Zwijsen in Tilburg. Aangezien deze lessuggestie niet in de nieuwe druk van de methode is opgenomen, heb ik contact met Zwijsen opgenomen. Zodra Zwijsen heeft gereageerd, zal ik dit melden.

11 ‘Sluit geen kind buiten’
Als aan leerkrachten basisonderwijs in enquêtes wordt gevraagd alle ongewenste omgangsvormen die ze tussen  leerlingen zien op te schrijven, is de meest genoemde ongewenste omgangsvorm voor alle leeftijden het woord buitensluiten. Omdat de gevolgen van buitensluiten, nu en op latere leeftijd, desastreus zijn, heeft het onderwijs een uitgelezen kans om leerlingen van jongs af aan te leren dat buitensluiten niet meer kán. Op www.pesten.net zal, onder het kopje Manieren om buitensluiten tegen te gaan, een aantal concrete activiteiten worden opgenomen om aan buitensluiten tussen leerlingen, zoveel als mogelijk, een einde te maken.

12 ‘Als je gepest wordt, vertel het dan. Dit is geen klikken’
Deze regel is de belangrijkste regel. Als ze vanaf groep 1 consequent wordt toegepast, is niet alleen het pestprobleem al voor een groot gedeelte opgelost, maar leren we leerlingen dat je niet klikt als je aan je klasgenoot, je leerkracht of je ouder vertelt dat er dingen gebeuren die je niet leuk vindt.
De regel heeft namelijk alles te maken met ‘de samenzwering om te zwijgen’, een term afkomstig uit de literatuur over kindermishandeling: iedereen of bijna iedereen in het gezin is op de hoogte van de mishandeling of het misbruik, toch durft niemand de vuile was buiten te hangen, uit angst om voor verklikker te worden aangezien. Het is hetzelfde als de omerta van de maffia; de ‘je moet je maten niet naaien’-uitdrukking of de Code Red uit het leger, zoals prachtig werd gedemonstreerd in de film ‘A few good men’, met Jack Nickolson in een hoofdrol; en met de geheimhoudingsplicht van de Hells Angels en de Ku Klux Klan.
Omdat is aangetoond dat leerlingen in de meeste gevallen niet aan hun ouders of hun leerkrachten durven vertellen dat ze worden gepest en daar vaak lange tijd onder lijden, is het zaak deze regel al vanaf groep 1 in te voeren en toe te passen.

 

 
© 2018 Bob van der Meer