Hildebrandstraat 14
5242 GE Rosmalen
06-20406009
073-5217753
b.vandermeer@home.nl
http://www.bobvandermeer.info
http://www.bullying.nl

Wie is verantwoordelijk 2 | Afdrukken |  E-mail
Wie is verantwoordelijk2
Leerlingen plegen (zelf)moord vanwege pesten: wie is verantwoordelijk?
Een discussie
Bob van der Meer
10-10-2015

Onderstaand artikel is, onder dezelfde titel, opgenomen in het septembernummer van het magazine van Stichting Veilig Onderwijs. Dit blad is niet alleen aan plus minus 10 000 scholen gestuurd, maar ook aan belangenorganisaties, waaronder het ministerie van OCW en de kinderombudsman.

INLEIDING
In de rubrieken Wie is verantwoordelijk? worden twee versies van onderstaand discussiestuk opgenomen. In de eerste plaats de versie zonder literatuurverwijzingen en noten: Wie is verantwoordelijk 1. En in de tweede plaats de versie met literatuurverwijzingen en noten: Wie is verantwoordelijk2. 
 
SITUATIESCHETS   
Door de publicatie in 1988 van het boek De zondebok in de klas (1) kwam in Nederland aandacht voor pesten op school.

Een totaal uit de hand gelopen pestsituatie
Niet lang daarna werd ik gebeld door de directeur van een school voor basisonderwijs in Friesland. Op deze school was sprake van een totaal uit de hand gelopen pestsituatie. Drie jongens uit groep 7 oefenden een ware terreur over hun klas- en schoolgenoten uit: ze pestten, gebruikten geweld en persten hun slachtoffers geld  af. De ouders van een van de slachtoffers, beiden advocaat, hadden gedreigd de school voor de rechter te dagen als het probleem niet werd aangepakt. De directeur wilde daarom een lezing voor ouders en leerkrachten. Nadat de lezing was gegeven schakelde het bestuur op eigen initiatief een psychiater in. De eerste jongen bleek een notoire meeloper te zijn. Van de tweede was de thuissituatie zó slecht dat het een wonder mocht heten dat hij ‘slechts’ pestte. En de derde jongen werd gedwongen opgenomen in een psychiatrisch kinderziekenhuis. Vanaf dat moment druk ik, ter voorkoming van processen over een goede aanpak van pesten, scholen op het hart een goed beleidsplan op het onderwerp te maken, het ter goedkeuring voor te leggen aan alle schoolgeledingen, en, eenmaal aanvaard, uit te voeren en eens per jaar te evalueren (2).

Drie eisen voor een goede aanpak van pesten
In 1995 waren mijn drie eisen voor een goede aanpak van pesten in drie boeken vastgelegd (3), was een checklist met – nu zestig - criteria (4) ontwikkeld met behulp waarvan scholen konden analyseren of en in hoeverre hun beleid aan deze criteria voldeed, waren pilots uitgevoerd (5), producten ontwikkeld (6), werd de website www.pesten.net (7) voorbereid en kon het probleem worden aangepakt en opgelost. 

De eerste eis was: de aanpak is in twee opzichten integraal, enerzijds door pesten op te vatten als geweld en het aldus in te kaderen binnen een verklaringsmodel van geweld (8), anderzijds door alle partijen (zwijgende middengroep, pester, leerkracht, ouder en slachtoffer) bij het probleem te betrekken: mijn vijfsporenaanpak van pesten (9). De tweede eis: de aanpak is structureel, waaronder wordt verstaan dat aandacht dient te worden besteed aan signaleren, analyseren, plan opzetten en uitvoeren, evalueren (10). De derde en laatste eis: de aanpak  leidt tot attitudeverandering (11). Tot slot werden producten ontwikkeld met behulp waarvan scholen zelf niet alleen goed beleid konden maken, maar zich ook konden professionaliseren en zelf onderzoek naar de effecten uitvoeren (12).

Ministerie van OCW
Omdat het Katholiek Pedagogisch Centrum (KPC), waar ik op dat moment werkte, mij het werken onmogelijk dreigde te maken (13), nam ik contact op met de directeur van de Vereniging Openbaar Onderwijs (VOO), vertelde hem dat ik weg wilde, waarna hij contact opnam met de zusterorganisatie van het KPC, het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum (APS). Ik mocht solliciteren en werd aangenomen. Wat ik toen niet wist, was dat aan mijn naam een jaarlijks bedrag van acht ton gulden en later jaarlijks een miljoen euro was verbonden en het APS, door mij aan te nemen, deze bedragen in de schoot kreeg geworpen.
Het probleem kon nu worden aangepakt, dacht ik, maar - naar nu bleek – niet door mij. Het geld was binnen, ik werd ‘kaltgestellt’. De reden hiervoor was dat ik, als een van de drie leden van de zogenoemde Kleine Commissie die de Campagne De veilige school van het ministerie van OCW uitvoerde, in een brief aan het ministerie van OCW, bezwaar maakte tegen de binnen dit project gemaakte producten en - vanwege principiële redenen - vrijwillig ontslag nam als lid van deze commissie. Van mijn expertise werd na deze kritiek geen gebruik meer gemaakt en was ik uitgerangeerd (14).
 
Stichting E2V2
Om toch mijn target te kunnen halen ontwikkelde ik met eigen geld veel producten en maakte ik de inkomsten hieruit over op mijn begrotingsnummer van het APS (15). Ook richtte ik de Stichting Europees Expertisecentrum voor Veiligheid (E2V2) op (16), werd directeur van de stichting, stelde een bestuur en een Comité van Aanbeveling van hotshots uit de Nederlandse samenleving (17) samen en liet in de statuten opnemen dat de stichting op het onderwerp pesten en geweld aan iedere organisatie gevraagd en ongevraagd adviezen mocht geven op de aanpak ervan. De redenen voor het oprichten van een eigen stichting waren in de eerste plaats dat ideële stichtingen, zoals Stichting Kinderpostzegels Nederland, Unique Child Foundation, RABO Bank Foundation en Stichting Achmea Slachtoffer en Samenleving (18), slechts subsidie verleenden voor antipestprojecten aan stichtingen en in de tweede plaats dat ik hierdoor kritiek kon blijven geven. Zo had ik namelijk op 05-04-2001 aan Karin Adelmund, toenmalig staatssecretaris van OCW, een tweede brief geschreven (19), door welke actie ik klokkenluider werd en daardoor in ongenade viel bij niet alleen de directie van het APS, maar nu voor de tweede keer bij het ministerie van OCW. Ik had haar namelijk op de hoogte gesteld van het feit dat een ambtenaar van haar ministerie haar had voorzien van onjuiste informatie. Had ik dat als voorzitter van mijn stichting gedaan, dan zou ik geen klokkenluider, maar zouden het mijn taak en plicht zijn geweest.
Met hulp van een van de juristen van mijn vakbond, de KVLO, kon ik  met FPU, verliet het APS, bleef aan het ministerie brieven schrijven, totdat minister van Bijsterveldt mij een brief schreef met de mededeling dat brieven van mij over het onderwerp pesten door haar ministerie niet meer beantwoord zouden worden (20), welk bericht staatssecretaris Dekker onlangs herbevestigde (21).


Zelfmoorden vanwege pesten
Toen Tim Ribberink in november 2012 vanwege pesten een einde aan zijn leven maakte, kort daarna Fleur Bloemen en de zes andere leerlingen die de pers niet haalden, hetzelfde deden, raakte Nederland in een shock. Staatsecretaris Dekker die door deze zelfmoorden voor zijn politieke lot moest vrezen, sloot een pakt met kinderombudsman Dullaert, die daardoor zijn onafhankelijkheid, de voornaamste reden voor de functie, opgaf (22); sprak zich uit voor een bepaalde methode, waarna de kinderombudsman hetzelfde deed, maar nu voor een andere methode (23); formeerden zij direct daarop - voor de vorm - een groep belanghebbenden (24); maakten zelf een Plan van aanpak pesten, in welk plan zij als een van de oplossingen opnamen dat het Nederlands Jeugd Instituut (NJI) een deskundige en onafhankelijke Commissie Antipestprogramma’s zou samenstellen (25), waarna een van de leden de drie volgende criteria voor een goed antipestprogramma formuleerde (26): het antipestprogramma is theoretisch goed onderbouwd; het programma is empirisch adequaat onderbouwd; randvoorwaarden om het programma uit te voeren zijn duidelijk beschreven.
Geen woord over de zestig reeds bekende criteria; geen woord over de manieren voor scholen om moord en zelfmoord vanwege pesten te voorkomen en, als het op zou treden, ermee om te gaan (27); geen woord over eenvoudige maatregelen om pesten aan te pakken (28); geen woord over het feit dat alle ontworpen antipestprogramma’s slechts waren ontwikkeld voor het basisonderwijs en er geen methoden beschikbaar waren voor het voortgezet onderwijs en het mbo (29); geen woord over het feit dat een van de methoden een zwak aftreksel was van de hierboven genoemde drie eisen (30); geen woord over het feit dat geen enkel commissielid onafhankelijk was (31); geen woord over het feit dat onderzoek had aangetoond dat niet een methode, maar aandacht voor het onderwerp, belangrijk was (32), nee slechts drie zeer algemene onderzoekcriteria. Om de schijn van belangenverstrengeling te voorkomen - zij had een eigen antipestprogramma ontwikkeld dat zij graag wilde laten beoordelen  - verliet de hoogleraar, die de drie criteria had geformuleerd, de groep, waarna haar methode werd goedgekeurd (33).
 
Wie is verantwoordelijk?
Nu dan de beantwoording van de vraag wie verantwoordelijk kan worden gesteld wanneer een leerling een (zelf)moord vanwege pesten pleegt. 
Stel in de eerste plaats dat in het antipestbeleid van de school is opgenomen dat de school uitgaat van mijn - hierboven genoemde - vijfsporenaanpak van pesten. Dan kan ik, met behulp van de - eveneens eerder genoemde - zestig criteria, het door de school geformuleerde antipestbeleid, het leerlingendossier van het slachtoffer en het leerlingendossier van de pester(s), vaststellen dat de school de (zelf)moord niet kan worden verweten en kan de school worden vrijgepleit (34). Als de analyse uitwijst dat de school schuld heeft aan de (zelf)moord, kan de school zich op grond van bovenstaande informatie echter beroepen op het gebrek aan beleid van het ministerie van OCW inzake pesten. Had het ministerie van OCW namelijk in 1995 mijn drie eisen voor een goede aanpak van pesten serieus genomen, dan hadden scholen zodanige maatregelen getroffen, dat (zelf)moorden vanwege pesten niet zouden zijn uitgevoerd en, hadden ze wel plaatsgevonden, dan hadden scholen zich op vrij eenvoudige wijze vrij kunnen pleiten (35).
Stel in de tweede plaats dat een leerling van een school, die een antipestmethode toepast, die door de Commissie Antipestprogramma’s van het Nederlands Jeugd Instituut (NJI) was goedgekeurd, de (zelf)moord pleegde. Kan de school dan het NJI hiervoor aansprakelijk stellen dat zich voor het karretje van Dekker & Dullaert liet spannen of kan de school de leden van de Commissie Antipestprogramma’s hiervoor hoofdelijk aansprakelijk stellen, dan wel staatssecretaris Dekker en - in zijn kielzog – kinderombudsman Dullaert? Zij uitten in de pers hun voorkeuren voor ieder een eigen methode, hoorden niet alle deskundigen (36), gingen niet in op de kritiek die een van de leden van de door hen beiden samengestelde groep belanghebbenden uitoefende (37) en stelden de leden van de Commissie Antipestprogramma’s voor als onafhankelijk en deskundig, wat zij aantoonbaar niet waren (38). 
En stel in de derde plaats dat een of meer ouders van leerlingen die in het verleden een (zelf)moord vanwege pesten hebben begaan (39), het ministerie van OCW verantwoordelijk stellen vanwege het feit dat het ministerie een deskundige op dit onderwerp met alle mogelijke middelen de mond heeft gesnoerd, wat zou dan de uitkomst zijn?
Alles overziend heeft het ministerie van OCW er naar mijn mening een rotzooi van gemaakt en voorzie ik veel processen. De oorzaak van deze processen ligt dan niet in de toegenomen mondigheid van ouders, zoals het ministerie ons wil laten geloven, maar in de onkunde en het machtsmisbruik bij het ministerie van OCW.

Tot slot
Tot slot de vraag of er nog iets leuks is te melden. Het is dat u mij ernaar vraagt. Op dit moment loopt er een mooi pilotproject bij het Koning Willem 1 College in Den Bosch. Informatie erover is te vinden in het juni-nummer van Profiel, onafhankelijk blad voor het mbo (40). Het enige probleem is dat in het beleidsplan van het KW1C onder andere wordt uitgegaan van mijn vijfsporenaanpak van pesten. Het zal duidelijk zijn dat ik erop toe zal zien dat mijn aanpak goed wordt toegepast zodat, als er iets gebeurt, het KW1C en ik niet aansprakelijk kunnen worden gesteld.

Noten
1 Meer, B. van der (1988). De zondebok in de klas. Nijmegen: Berkhout BV. 
2 Meer, B. van der (1994). Brochure Pesten op school, hoe ga je ermee om, behorend bij de landelijke campagne tegen pesten op school, georganiseerd door de landelijke organisaties voor ouders in het onderwijs: LOBO, NKO, Ouders en COO, VOO. Rosmalen: Europees Expertisecentrum voor Veiligheid.
3 Deze drie eisen waren in de volgende publicaties vastgelegd:
- Meer, B. van der (1991-1).  Het zondebokfenomeen op school. In: Gelukkig op school? Emotionele stoornissen en het functioneren op school, onder redactie van A. Collot d’Escury-Koenigs, T. Engelen-Snaterse & L. Tijhuis, pp. 107-122. Lisse: Swets en Zeitlinger.
In deze publicatie een uitwerking van de eerste eis: de aanpak is in twee opzichten integraal, enerzijds door alle partijen (zwijgende middengroep, pester, leerkracht, pester en slachtoffer) bij de aanpak ervan te betrekken: mijn vijfsporenaanpak van pesten; anderzijds door pesten op te vatten als geweld en het op deze manier in te passen binnen een verklaringsmodel van geweld.
- Meer, B. van der (1993-4). De probleemaanpak. Nijmegen: Berkhout BV.
De tweede eis: de aanpak is structureel. Hieronder wordt verstaan de trits signaleren, analyseren, plan opzetten en uitvoeren, evalueren, zijnde de wetenschappelijke methode toegepast op de aanpak van concrete onderwijsproblemen.
- Meer, B. van der (1995-2). Attitudeverandering door middel van pestprojecten. In: Sociale vaardigheidstrainingen voor kinderen, indicaties, effecten, knelpunten, onder redactie van A. Collot d’Escury-Koenigs, T. Engelen-Snaterse & E. Mackaay-Cramer, pp. 263-274. Lisse: Swets en Zeitlinger.
En de derde eis: de aanpak leidt tot attitudeverandering bij alle bij het probleem betrokken partijen: zwijgende middengroep, pester, leerkracht, ouder en slachtoffer.
4 In mijn bijdrage aan Sociale vaardigheidstrainingen voor kinderen, indicaties, effecten, knelpunten, gaf ik acht criteria, met behulp waarvan een antipestprogramma kon worden beoordeeld. In mijn boek School en geweld, oorzaken en aanpak, dat in 2000 uitkwam, worden in bijlage 1: Checklist voor het beleid op het gebied van pesten en andere vormen van machtsmisbruik of geweld, na een inleiding, 53 vragen gesteld. De uiteindelijke checklist bevat 60 criteria, met behulp waarvan iedere school of opleiding kan vaststellen of en in hoeverre het veiligheidsbeleid een goed veiligheidsbeleid is. Tot slot is deze checklist op de website www.pesten.net in de rubriek Checklist, vierde kolom verticaal op deze site, opgenomen en daarvandaan te downloaden. In de tekst worden nummers genoemd, die corresponderen met de nummers, zoals genoemd in de rubriek Producten, eerste kolom verticaal op www.pesten.net. Het is de bedoeling dat deze producten te zijner tijd voor iedereen beschikbaar zijn en gratis kunnen worden gedownload. Lukt dat niet, dan moet ervoor betaald worden. 
5 In de rubriek Pilots, eerste kolom verticaal op www.pesten.net,  en in de rubriek Calamiteiten, derde kolom verticaal op deze site, treft men een overzicht van een aantal pilots aan. Eén van deze pilots, uitgevoerd op de Prinses Julianaschool in Rotterdam-Noord, is beschreven in de brochure Normen en waarden, een concrete aanpak en een andere pilot in School en geweld, oorzaken en aanpak, paragraaf 3.2, pp. 75-81.
6 Binnen deze pilotprojecten werden producten ontwikkeld, die dan weer in andere pilots werden toegepast. Op deze manier ontstonden bij benadering 250 producten. Zie hiervoor de rubriek Producten, eerste kolom verticaal op www.pesten.net. Deze producten zijn nog vergrendeld. Het is echter de bedoeling dat eens iedere school of organisatie over deze producten kan beschikken voor het maken van een aan de school of organisatie aangepast psychosociaal veiligheidsbeleid.  
7 De website www.pesten.net werd in 1997 gestart door Jan Hoogmoed, de vader van een gepeste jongen, welke site later aan mij werd overgedragen. De site ontvangt jaarlijks iets meer dan 200 000 unieke bezoekers en wordt – eveneens jaarlijks - zo’n anderhalf miljoen keer gehit. Dit ondanks het feit dat de site (te) veel informatie verschaft en er niet uitziet. Dit laatste heeft ook te maken met het feit dat tegen mij door de ontwerper van een antipestmethode een proces werd aangespannen, waarbij een van de eisen was: kritiek op het betreffende antipestprogramma van mijn site verwijderen. De site is daardoor niet, zoals Cruijff het noemde, een geitenkaas, maar een gatenkaas geworden.
8 In mijn eerste boek over pesten, De zondebok in de klas, dat in 1988 uitkwam, had ik ook aandacht besteed aan een verklaringsmodel van geweld. Het model onderging een aantal veranderingen, waarna het in School en geweld, oorzaken en aanpak in 2000 definitief werd. Op www.pesten.net is het model plus de toelichting erop, in de rubriek Verklaringsmodel van geweld, te vinden in de vijfde kolom verticaal.
9 Een medewerker van het NIGZ (Nederlands Instituut voor Gezondheidsbevordering en Ziektepreventie) in Woerden, drs. Goof Buijs, die als inhoudelijk deskundige verantwoordelijk was voor de subsidieaanvraag voor het PRIMA-onderzoek naar pesten, dichtte de term vijfsporenaanpak van pesten aan Dan Olweus, hoogleraar Psychologie in Noorwegen, toe. Hoe deskundig kan een deskundige op pestgebied in Nederland overigens zijn. In de rubriek Vijfsporenaanpak, eerste kolom verticaal op www.pesten.net , treft de bezoeker een bronnenoverzicht van deze vijfsporenaanpak en in de rubriek Gratis, vijfde kolom verticaal, een artikel hierover, aan.  
10 De trits signaleren, analyseren, plan opzetten en uitvoeren, evalueren is afkomstig uit:
- Meer, B. van der (1993-4). De probleemaanpak. Nijmegen: Berkhout BV.
- Meer, B. van der ( 2014-1). Geweld als (onderwijs)probleem. Rosmalen: Europees Expertisecentrum voor Veiligheid.
Het is de toepassing van de wetenschappelijke methode (inductie, deductie, verificatie) op concrete onderwijsproblemen.
11 Omdat een attitude uit drie componenten bestaat: de cognitieve component, de emotioneel-affectieve component en de conatieve (wils- of streef-) component; en voor een blijvende gedragsverandering drie strategieën tegelijkertijd moeten worden toegepast: de machts- of dwangstrategie, de normatief-heropvoedende strategie en de empirisch-rationele strategie, heb ik deze combinatie als uitgangspunt voor blijvende attitude- en gedragsverandering voor het pestprobleem genomen. De drie componenten van een attitude zijn afkomstig uit het boek Social Psychology in the Seventies, van L.S. Wrightsman (1972), pp. 257-288. En de drie strategieën voor blijvende gedragsverandering uit hetzelfde boek, pp. 591-597. Omdat de empirisch-rationele strategie ervan uitgaat dat het geven van informatie, naast de toepassing van de twee andere strategieën, voldoende is om blijvende gedragsverandering teweeg te brengen en dit - naar mijn opvatting - een te beperkt uitgangspunt was, heb ik, ook omdat in het geven van informatie al voorzien was (cognitieve component), deze strategie veranderd in: weet hebben van de psychologische mechanismen of wetmatigheden, die bij alle vormen van geweld, waaronder pesten, spelen (kort gezegd: psychologische mechanismen strategie). De drie componenten en de drie strategieën van Wrightsman heb ik samengevoegd en onder zes knoppen op mijn website www.pesten.net geplaatst. De bovenste drie knoppen zijn de drie componenten en de onderste drie knoppen de drie strategieën. Als men op een van de knoppen klikt, komt men op een nieuwe pagina met daarop nummers en de naam van de producten die betrekking hebben op de component of strategie. Het is de bedoeling dat alle producten van deze site voor iedereen beschikbaar komen. 
12 Mijn stelling is dat scholen, met behulp van een goed beleidsplan psychosociale veiligheid en met behulp van concrete producten, perfect in staat zijn om een aan de school aangepast beleid op het gebied van psychosociale veiligheid te maken. In deze visie zijn scholen en organisaties niet (meer) afhankelijk van ondersteuners, onderzoekers en onderzoeksinstituten, maar in staat hun eigen problemen aan te pakken, op te lossen en de effecten van hun handelen te evalueren. Zij professionaliseren zichzelf door de content van de websites www.pesten.net en www.expertisecentrumgeweld.nl te raadplegen, toe te passen en (de effecten ervan) met elkaar uit te wisselen.
13 Meer, B. van der (2006). Dat wil je niet weten 1, mijn werkzaamheden bij het Katholiek Pedagogisch Centrum in de periode 1982-1995. Rosmalen: Europees Expertisecentrum voor Veiligheid. 
14 Meer, B. van der (2008). Dat wil je niet weten 2, mijn werkzaamheden bij het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum in de periode 1995-2003. Rosmalen: Europees Expertisecentrum voor Veiligheid.
Je wil niet weten wat je overkomt als je klokkenluider bent (geweest). Om processen wegens smaad te voorkomen leg ik daarom de inhoud van deze publicaties aan een aantal juristen voor of overhandig ik ze aan een door de Tweede Kamer ingestelde parlementaire enquête- of parlementaire onderzoekscommissie. Pas na hun toestemming worden nummers 13 en 14 in Wie is verantwoordelijk2
15 Om toch mijn target te kunnen halen ontwikkelde ik, zoals gezegd, met eigen geld veel producten en maakte ik de inkomsten over op mijn begrotingsnummer bij het APS. In deze periode heb ik al deze producten via het APS  uitgebracht. Een overzicht hiervan is te vinden in de rubriek Publicaties, eerste kolom verticaal op www.pesten.net: 1997-1 t/m 1997-9; 1998; 1999-1 t/m 1999-9; 2000-1 t/m 2000-8, in totaal 27 producten.
16 Stichting Europees Expertisecentrum voor Veiligheid (E2V2) werd op 17-05-2002 opgericht en op 31-12-2010 beëindigd. De reden: de stichting kostte op een gegeven moment teveel eigen geld. Een overzicht van de activiteiten die stichting E2V2 in deze periode gratis uitvoerde om pesten te doen stoppen is opgenomen in de rubriek Exit E2V2, tweede regel horizontaal op www.pesten.net.
17 Het Comité van Aanbeveling van de stichting Europees Expertisecentrum voor Veiligheid kwam als volgt tot stand. Aan een aantal bekenden, met wie ik samenwerkte of samengewerkt had en twee familieleden, Annette Heffels en Ton Koopman, vroeg ik of zij lid zouden willen worden van mijn Comité van Aanbeveling. Wanneer zij toestemden vroeg ik hen of zij mensen kenden die ook lid van dit comité zouden willen worden. Deze werkwijze leverde in zeer korte tijd iets meer dan 30 hotshots uit de Nederlandse samenleving op. Het heeft gewerkt. Toen ik staatssecretaris Adelmund op de hoogte stelde van het feit dat zij door haar ambtenaren verkeerd was voorgelicht en het duidelijk werd dat dit een hoge ambtenaar van haar ministerie was, die een goede vriend was van mijn directeur van het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum, bij welk instituut ik toen werkte, was het eerste wat deze hoge ambtenaar mij in een telefoongesprek vroeg of deze groep mensen ook allemaal achter mij stond.
18 Toen mijn ideële stichting een feit was kon ik, als voorzitter van mijn stichting en derhalve onafhankelijk van mijn directeur bij het APS, waar ik toen werkte, subsidieaanvragen indienen bij Stichting Kinderpostzegels Nederland, Unique Child Foundation, Rabobank Foundation en Stichting Achmea Slachtoffer en Samenleving. De projecten voerde ik uit, leverde de producten op en maakte de aldus verkregen subsidiegelden over op de rekening van het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum. Op deze manier voorkwam ik dat het APS mij, vanwege het niet behalen van mijn target, kon ontslaan.
19 In mijn onschuld schreef ik haar namelijk een brief met de opmerking dat naar mijn mening haar ambtenaren haar, inzake een goede aanpak van pesten, verkeerd hadden voorgelicht, niet wetende dat een hoge ambtenaar op haar ministerie haar van advies had gediend. Deze hoge ambtenaar, Cees F., nu was, zoals gezegd, een vriend van mijn toenmalige directeur, Gerard v.d. H. In ‘Dat wil je niet weten 2, mijn werkzaamheden bij het APS in de periode 1995-2003’, wordt uitgebreid op dit onderwerp ingegaan.
20 Mevrouw van Bijsterveldt ontmoette ik voor de eerste en laatste keer op een school voor basisonderwijs in de gemeente Schipluiden, een piepklein plaatsje onder de rook van Rotterdam. Als burgemeester van dit dorp opende en sloot zij een door de gemeente georganiseerde en door mij verzorgde lezing voor ouders over pesten tussen leerlingen. In beide gevallen gaf zij aan dat pesten goed moest worden aangepakt en dat zij, niet alleen als burgemeester, maar ook als moeder, pesten een belangrijk probleem vond dat goed moest worden aangepakt. Toen zij dan ook staatssecretaris of minister van OCW werd, ik van oordeel was dat pesten niet goed werd aangepakt en dit in brieven aan haar meedeelde, kreeg ik van haar echter een brief terug met de mededeling dat brieven van mij over pesten door haar ministerie niet meer beantwoord zouden worden. 
21 Ik ben hardleers. Naar aanleiding van de zelfmoorden van Tim Ribberink, Fleur Bloemen en de zes andere leerlingen die de pers niet haalden, schreef ik een brief aan staatssecretaris Dekker, waarin ik hem mijn kennis en producten op pesten tussen leerlingen aanbood. Ik had beter moeten weten. Te veel en te lang heb ik het ministerie van OCW op de tenen getrapt. De les moet worden geleerd: klokkenluiders worden niet geaccepteerd. Liever nitwits inschakelen, die de klok hebben horen luiden en niet weten waar de klepel hangt, dan een deskundige klokkenluider inschakelen. Dat is, met uitzondering van Karin Adelmund, het manco van eigenlijk alle ministers en staatssecretarissen van OCW, die ik heb gekend. 
22 De voornaamste en misschien wel enige reden van de functie van een  kinderombudsman is: zijn absolute en onvoorwaardelijke onafhankelijkheid. Door met staatssecretaris OCW, Dekker, een pakt te sluiten om gezamenlijk pesten aan te pakken, heeft Kinderombudsman Dullaert zijn onafhankelijkheid opgegeven en daarmee zijn functie te schande gemaakt.
23 Staatsecretaris Dekker en kinderombudsman Dullaert spraken zich beiden uit voor ieder een andere antipestmethode: Dekker voor een methode waarvan ik, op straffe van een proces, de naam niet meer mag noemen en kinderombudsman Dullaert voor de landelijke invoering van de KiVA-methode, een Fins antipestprogramma. Dit deed hij in een interview, d.d. 09-02-2013, in Trouw. De vraag die hierbij kan worden gesteld is: op grond van welk recht mag de kinderombudsman, die geen aanwijsbare expertise op het gebied van pesten heeft, zich openlijk uitspreken voor de landelijke invoering van welke (antipest)methode dan ook? Het zou hetzelfde zijn als wanneer de Nationale Ombudsman zich zou openlijk uitspreken voor het afsluiten van een lijfrentepolis van ASR, Reaal of Nationale Nederlanden.
24 In plaats van een groep deskundigen uitnodigen om hen van advies te dienen over een goede aanpak van pesten, nodigden Dekker & Dullaert een groep belanghebbenden uit: de voorzitter van Stichting Veilig Onderwijs; prof. dr. René Veenstra, die van het ministerie van OCW een subsidie van een miljoen euro had ontvangen om onderzoek te doen naar de effectiviteit van de KiVA-methode voor de Nederlandse situatie; prof. dr. René Diekstra; een aantal niet-deskundige ouders; de oud inspecteur-generaal van het ministerie van OCW, mevrouw Kervezee. De enige echte in de groep opgenomen deskundige was Zeger Wijnands, de auteur van het boek over pesten Als je wordt buitengesloten. Toen hij echter nadat de commissie ontbonden was een open brief met kritiek aan Dekker & Dullaert schreef werd deze brief – tot op heden – niet beantwoord.
25 Dat het NJI van Dekker & Dullaert de opdracht had gekregen een deskundige en onafhankelijke Commissie Antipestprogramma’s samen te stellen mag worden opgemaakt uit de teksten hierover op zowel de site van het NJI als het ministerie van OCW. Als volgt:
‘In opdracht van het ministerie van OCW beoordeelt een onafhankelijke commissie of antipestprogramma’s aan bepaalde criteria voldoen’. 
Bron: Rubriek Pesten, www.nji.nl
‘De Commissie Antipestprogramma’s is samengesteld op basis van ervaring en kennis van de thematiek. Ook is nadrukkelijk gelet op onafhankelijkheid ten opzichte van antipestprogramma’s’.
Bron: Site ministerie van OCW.
26 Dr. Maja Dekovic, hoogleraar aan Universiteit Utrecht, was degene die deze drie zeer algemene criteria formuleerde.  
27 Dit is voor mij onbegrijpelijk. Een student van 20 jaar maakt vanwege pesten een einde aan zijn leven. Kort daarop een meisje van 16 door zich voor de trein te werpen. En kort daarop weer, vanwege copycat gedrag, zes andere leerlingen. Op zo’n moment informeer je toch als eerste alle scholen in Nederland en geef je hen adviezen op welke manieren te handelen om dit soort dramatische gebeurtenissen te voorkomen en, wanneer een dergelijke calamiteit onverhoopt optreedt, aan te pakken? Nee, wat doe je? Je bezoekt de ouders van de leerlingen die vanwege pesten een einde aan hun leven maakten, houdt een prevelementje, roept – voor de vorm - een groep belanghebbenden bij elkaar, rommelt zelf een Plan van aanpak Pesten in elkaar, geeft geen antwoord op de enige deskundige in de groep die terechte kritiek uit, frommelt een zogenaamde deskundige en onafhankelijke commissie Antipestprogramma’s in elkaar en geeft deze groep afhankelijke en niet deskundige personen de opdracht om met behulp van drie belachelijke criteria de bestaande antipestprogramma’s te beoordelen, met als doel de scholen te verplichten een keuze te maken uit de door deze, het zij nogmaals gezegd, niet onafhankelijke en niet deskundige groep,  als goed beoordeelde antipestprogramma’s.  
28 Pesten is eigenlijk niet zo moeilijk aan te pakken. Veel leerkrachten durven echter niet duidelijk stelling te nemen, zijn bang voor de (ouders van de) pesters, zijn bang voor de mogelijke emoties die vrijkomen als ze het onderwerp aansnijden, geven het slachtoffer de schuld, zien het domweg niet, gaan ervan uit dat leerlingen lieve wezens zijn of hebben niet door wat de mogelijke gevolgen voor het slachtoffer zijn. Als deze barrières zijn geslecht, is de oplossing: “Dat doen we op deze school niet. En gebeurt het toch, dan pakken we het goed – en wel op de volgende manier-  aan”.
29 Als de Commissie Antipestprogramma’s deskundig was geweest, hadden de leden de opdracht van Dekker & Dullaert niet eens aangenomen. Stel namelijk dat deze commissie een antipestpro-gramma had goedgekeurd, waarna later bleek dat een leerling van een school die deze methode toepaste vanwege pesten zelfmoord of een moord pleegde.
30 Dagblad van het Noorden besteedde op 06-01-2012 aandacht aan pesten. Dr. René Veenstra, hoogleraar Sociologie aan Universiteit Groningen, kwam hierbij aan het woord. Nadat hij felle kritiek had geuit op de bestaande antipestmethoden, pleitte hij voor de landelijke invoering van de KiVA-methode, de Finse antipestmethode, ontwikkeld door hoogleraar Salmivalli. In het interview noemde hij vier saillante kenmerken van deze methode: in deze methode worden leerkrachten geleerd te signaleren; worden alle partijen bij de aanpak van het probleem betrokken; wordt aandacht besteed aan groepsdynamische processen en nog een saillant kenmerk. Het probleem voor professor Salmivalli en de KiVA-methode is dat deze kenmerken in al mijn publicaties vanaf 1988 saillante kenmerken van mijn methode zijn. Twee mogelijkheden:  Salmivalli heeft goed over de problematiek nagedacht of heeft kennis gehad van mijn methode en er een eigen draai aan gegeven. Ik houd het op het eerste. Wel is saillant dat een hoogleraar, in dit geval Veenstra, die zich, naar eigen zeggen, in 1996 bij het verschijnen van het boek van Salmivalli, met als titel Aggressive Behavior,  was gaan interesseren voor pesten, niet op de hoogte was of zich niet op de hoogte had gesteld van de sinds 1979 op dit onderwerp beschikbare literatuur van mijn hand. Voor de tweede keer, hoe deskundig kan een deskundige op pestgebied in Nederland zijn? 
31 De commissieleden hadden vier mogelijkheden: het verzoek om in de Commissie Antipestprogramma’s zitting te nemen aanvaarden, met de opgave van de namen van de antipestprogramma’s waarbij zij als onderzoeker of belanghebbenden betrokken waren; de opdracht niet aanvaarden, met als argument dat zij teveel belanghebbend waren bij een of meer van de te onderzoeken antipestprogramma’s; de opdracht niet aanvaarden met als argument dat het PRIMA-onderzoek had aangetoond dat niet een methode belangrijk was, maar aandacht voor het onderwerp; of net doen alsof ze onafhankelijk en deskundig waren, in de commissie zitting nemen en hun onderzoeksbelangen en –gelden verdedigen. Dat ze voor de laatste optie hebben gekozen, vind ik verschrikkelijk. Ik acht deze werkwijze ontoelaatbaar en een wetenschapper en het onderwerp onwaardig. Ik stel deze handeling gelijk aan de handelingen van andere wetenschappelijke fraudeurs. Bepaalde dingen doe je als wetenschapper niet en doe je ze wel, dan moet je daar door wie dan ook op aangesproken kunnen worden: de VSNU heeft namelijk niet voor niets een gedragscode voor wetenschappers aan universiteiten opgesteld.
32 Het door het NIGZ opgezette en uitgevoerde PRIMA-onderzoek was een experimenteel onderzoek. In een dergelijk onderzoek worden scholen, die zich aanmelden voor het onderzoek, volgens het lot, experimentele dan wel controlescholen. Bij zowel de experimentele als de controlescholen wordt de beginsituatie gemeten (pretest). De experimentele scholen leren dan - in dit geval - pesten door middel van de PRIMA-methode aan te pakken, terwijl de controlescholen niets aan het probleem doen. Na van te voren vastgesteld tijdstippen wordt op zowel de experimentele als de controlescholen een nameting gehouden (posttest), zodat eventuele verschillen, veroorzaakt door de toegepaste methode, kunnen worden aangetoond tussen de experimentele en de controlescholen. De officiële term voor dit soort onderzoek is: pretest posttest control group design. Het resultaat: in de experimentele scholen die de PRIMA-methode hadden toegepast was pesten met 60% afgenomen, op zich geen slecht resultaat. Jammer voor deze methode was dat de controlescholen, die de PRIMA-methode niet hadden toegepast, echter ook een 60% reductiescore hadden behaald. Moraal van het verhaal: niet een antipestmethode, maar de wil om pesten aan te pakken, is van doorslaggevende aard. Deze uitkomst was overigens van te voren voorspeld. Immers, scholen die zich hadden aangemeld voor een aanpak van pesten en door het lot in de groep controlescholen terecht waren gekomen, lieten zich natuurlijk niet weerhouden om het probleem ook daadwerkelijk aan te gaan pakken. Dit hadden niet alleen de aanvragers, de onderzoekers van TNO, maar ook (de deskundigen van) subsidieverstrekker ZonMw en ook de deskundigen van de Commissie Antipestprogramma’s, toch moeten weten? Omdat het onderzoek om en nabij de 550 000,-- euro kostte, is ook dit weggegooid geld geweest.
33 Na formulering van deze drie ‘fantastische’ onderzoekeisen verliet prof.  dr. Maja Dekovic, om de schijn van belangenverstrengeling te voorkomen, de groep.
34 Met behulp van deze vier instrumenten: 60 criteria, antipestbeleid van de school, het leerlingendossier van het slachtoffer en het leerlingendossier van de pester(s), is in een aantal gevallen vastgesteld of en in hoeverre een school een goed antipestbeleid had. Eerste voorbeeld: een school in Amsterdam. Twee echtparen, die ieder een kind in een groep 7 van de school hadden, belden op met de vraag of ik voor hen een analyse kon maken van een pestsituatie in deze groep. Hun kinderen werden gepest, de school deed iets, maar naar het oordeel van de ouders onvoldoende, om welke reden zij hun kinderen van school wilden halen om ze op een andere school in de buurt, die onder hetzelfde bestuur stond, te plaatsen. Dit was de eis van het bestuur geweest. Nadat mijn analyse had uitgewezen dat de school de pestproblematiek in deze groep niet goed had aangepakt en het antipestbeleid nergens op leek, konden de twee ouderechtparen hun kind op een andere school in de buurt plaatsen. Nadat alles goed was geregeld, belde de directeur van de school mij op met de vraag hoe ik het in mijn hoofd haalde zijn antipestbeleid te bekritiseren. Hij had namelijk mijn adviezen voor een goede aanpak van pesten opgevolgd, zei hij. Het probleem in dit soort gevallen is dat veel scholen vaak knippen en plakken in bestaande documenten en denken hiermee beleid te hebben gemaakt. Het tweede voorbeeld betreft een school in Eindhoven. De ouders van een gepeste jongen, die in groep 6 van deze school zat, werd gepest, de leerkracht bedacht alle mogelijke gekke oplossingen, ik werd ingeschakeld, maakte met behulp van de genoemde instrumenten een analyse, bood gratis mijn hulp aan om escalatie te voorkomen, de directeur kreeg genoeg van de klachten van de ouders, het probleem met de ouders escaleerde, de directeur verwijderde de leerling van school omdat hij met de ouders niet meer door één deur kon, de leerling zat thuis, de leerplichtambtenaar deed niets, de school seinde andere scholen in en adviseerde hen de leerling vanwege de ouders niet toe te laten. Op grond van de analyse werd niet de directeur ontslagen, hij had de school net met een lintje verlaten, de leerkracht en de IB-er kregen ontslag. De reden: door de negatieve berichten in het Eindhovens Dagblad had de school het jaar daarop zes groepen minder aanmeldingen.
35 Hoe scholen zich vrij kunnen pleiten is het geheim van de smid. Het is onderdeel van mijn begeleiding van scholen op dit onderwerp. Deze aanpak is noodzakelijk gebleken door de zelfmoord vanwege pesten door haar collega’s van Caroline Dijkman, docente Biologie aan het Sint Maartenscollege in Maastricht. De bestuursvoorzitter van dit college gaf in een interview in Schooljournaal aan dat hij de adviezen van een specialist op dit gebied, Bob van der Meer, om dit soort problemen te voorkomen, had opgevolgd: een vertrouwenspersoon aanstellen, een klachtencommissie instellen en een klachtenprocedure vaststellen, en dat, ondanks dat de school dit had gedaan, toch een docent zich vanwege pesten, zich van het leven had beroofd. Gelukkig voor mij leg ik alles vast. In 1990 publiceerde ik het in opdracht van het ministerie van OCW vervaardigde boek Handleiding vertrouwensgroep kindermishandeling en seksueel misbruik en in 1993 het boek Machtsmisbruik op school. In het laatste boek maak ik onderscheid tussen zes groepen waartussen machtsmisbruik, pesten, ongewenste omgangsvormen kunnen plaatsvinden, namelijk tussen leerlingen onderling, leerlingen en leerkrachten, leerkrachten en leerlingen, personeel onderling (pesten op het werk), school en ouders (en tussen ouders en school). Na vanaf 1993 in interviews, artikelen en workshops gepleit te hebben voor vertrouwenspersonen, klachtencommissies en klachtenprocedures kwam ik allengs tot het inzicht dat dit niet de oplossingen waren. De redenen: de vertrouwenspersonen en leden van de klachtencommissies waren niet altijd even onafhankelijk of onpartijdig en werden sommige procedures zodanig geconstrueerd dat de slachtoffers onbeschermd bleken. Omdat ik al in zeer vroeg stadium leerlingen, door middel van het maken van regels met elkaar, verantwoordelijk maakte voor elkaars psychosociale veiligheid, paste ik dit principe ook op volwassenen toe. In paragraaf 3 2 van mijn boek School en geweld, oorzaken en aanpak een voorbeeld van deze aanpak bij docenten. In het jaar 2000 was ik derhalve al afgestapt van vertrouwenspersonen, klachtencommissies en klachtenprocedures, maar dat wist de bestuursvoorzitter dus nog niet. 
36 In alfabetische volgorde: dr. Minne Fekkes, onderzoeker bij TNO; drs. Bob van der Meer, directeur Europees Expertisecentrum voor Veiligheid;  prof. dr. Ton Mooij, senior onderzoeker Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen/Radboud Universiteit Nijmegen en hoogleraar Open Universiteit Heerlen en prof. dr. Jan Dirk van der Ploeg, emeritus hoogleraar Orthopedagogiek Universiteit Leiden.
37 Dat staatssecretaris Dekker en kinderombudsman Dullaert direct daarop – voor de vorm – een groep belanghebbenden formeerden, mag blijken uit het feit dat de - naar mijn mening - enige deskundige in deze groep, Zeger Wijnands, de auteur van ‘Als je wordt buitengesloten, hoe ouders en leraren een einde kunnen maken aan pesten op school’ (Heerenveen: Uitgeverij Groen, 2013), nadat Dekker & Dullaert hun Plan van aanpak Pesten naar buiten hadden gebracht, een open brief met veel kritiek op hun plan van aanpak aan hen beiden schreef, op welke brief zowel Dekker als Dullaert tot op heden nog niet gereageerd hebben.
38 Meer, B. van der (2014). Een onderzoek naar de deskundig-, afhankelijk- dan wel onafhankelijkheid van de door het ministerie van OCW benoemde leden van de NJI-Commissie Antipestprogramma’s. Rosmalen: Europees Expertisecentrum voor Veiligheid. 
39 Zie voor een niet ge-update overzicht van de zelfmoorden vanwege pesten de rubriek Zelfdoding, eerste kolom verticaal van mijn website www.pesten.net. Ik schat dat in de afgelopen twintig jaar om en nabij twintig leerlingen zich in Nederland vanwege pesten van het leven hebben beroofd. En dat terwijl in de afgelopen twintig jaar het ministerie van OCW bij benadering twintig miljoen euro aan de aanpak van pesten heeft uitgegeven. Deze zelfmoorden hadden bij een goede aanpak van het probleem voor een fractie van dit bedrag voorkomen kunnen worden, om welke reden ik een landelijke discussie, een parlementair onderzoek, een parlementaire enquête of een rechtszaak tegen het ministerie van OCW adviseer.
40 Langenhuijsen, H. (2015). Iedereen voelt de pijn. Verbijsterend wat een gesprek over pesten losmaakt. Vakblad Profiel, nummer 5, pp. 14-15.

QUOD ERAT DEMONSTRANDUM
Alles wat in de rubrieken Wie is verantwoordelijk 1 en Wie is verantwoordelijk 2  is gesteld, dient door een onafhankelijke commissie te worden beoordeeld. De enige mogelijkheden daartoe zijn naar mijn mening een door de Tweede Kamer ingesteld parlementair onderzoek of parlementaire enquête.



Contactgegevens
Bob van der Meer
Psycholoog
Directeur Europees Expertisecentrum voor Veiligheid
Hildebrandstraat 14 
5242 GE Rosmalen 
073-5217753/06-20406009 
www.pesten.net 
www.expertisecentrumgeweld.nl
Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken
 




 
© 2017 Bob van der Meer