Saxion-onderzoek

Pesten, wat doet het met je zelfbeeld?

Inleiding

Bob van der Meer

Neelie Davidse en Mirjam van Vreeswijk namen contact met mij op. Ze wilden als student Psychodiagnostisch Werk van de Saxion Hogeschool, locatie Deventer, onderzoek doen naar pesten. Ik adviseerde hen onderzoek te doen naar de mate van geliefdheid, zoals gemeten met behulp van de sociogrammmethode; met behulp van deze resultaten de sociometrische statustypen van de leerlingen te berekenen en daarna na te gaan of er sprake was van een mogelijk verband met het zelfbeeld, zoals gemeten met behulp van de CBS-K. Voor de berekening van de sociometrische statustypen werd contact opgenomen met prof. dr. T. Cillessen, hoogleraar aan de Radboud Universiteit Nijmegen.
Het onderzoek stond onder leiding van drs. Guido Roemer en drs. Jaap Velthuijzen, beiden medewerkers van de Saxion Hogeschool PDW-VT en werd bekostigd door mijn inmiddels opgeheven stichting E2V2. Zie hiervoor het kopje Exit stichting E2V2 op de homepage van deze site.
Hieronder de samenvatting.


Afstudeeropdracht-onderzoeksrapport
Neelie Davidse & Mirjam van Vreeswijk
Saxion Hogescholen, locatie Deventer

Samenvatting

Deze scriptie doet verslag van ons afstudeeronderzoek naar het verband tussen de sociometrische statustypen 'genegeerd' en 'verworpen' en het zelfbeeld van leerlingen in groep zes. De vraag is of genegeerde en verworpen leerlingen negatieve gevolgen ondervinden van pesten met betrekking tot hun zelfbeeld. Doel van dit onderzoek is een verband aan te tonen tussen de sociometrische statustypen en het zelfbeeld. Er is gelet op de betekenis van dit verband voor de validiteit van de sociogrammethode. Door mogelijke gevolgen van pesten voor het zelfbeeld eerder te signaleren en te erkennen, kan er adequate hulp geboden worden en veel leed worden voorkomen. De beschikbaarheid van betrouwbare en valide meetinstrumenten is daarom van groot belang.

In de literatuur komen duidelijke aanwijzingen naar voren dat pesten en zelfbeeld samenhang vertonen. Pesterijen kunnen resulteren in een negatief zelfbeeld. Gepeste kinderen zijn meestal stil, teruggetrokken en voelen zich gegeneerd of afgewezen. Om het zelfbeeld van het kind te bepalen, is de Competentie Belevingsschaal voor Kinderen (CBS-K) toegepast. De mate van geliefdheid van leerlingen door klasgenoten is in kaart gebracht door gebruik te maken van een sociogrammethode. Op basis van de sociogramgegevens zijn de leerlingen ingedeeld in één van de vijf sociale statusgroepen: populair, verworpen, genegeerd, controversieel of gemiddeld.

Op grond van de onderzoeksresultaten kan gesteld worden dat de status 'verworpen' een negatieve invloed heeft op het zelfbeeld van een kind. Kinderen met deze status hebben een geringere competentiebeleving dan genegeerde leerlingen. De status 'genegeerd' lijkt geen invloed te hebben op het zelfbeeld of de competentiebeleving van een kind. Er is wel sprake van een zwakke, positieve samenhang wanneer de statustypen, in rangorde van hoog naar laag, worden gecorreleerd met de competentiebeleving. Over het algemeen blijkt dat kinderen met een lage sociometrische status een negatievere zelfbeoordeling hebben dan kinderen met een hoge sociometrische status. De correlatie is echter dermate zwak dat uitspraken hierover gepaard moeten gaan met enige voorzichtigheid. De samenhang tussen de sociometrische status en het zelfbeeld klopt met wat op grond van de literatuur te verwachten was. Dit gegeven is een positieve bijdrage aan de validiteit van de gebruikte sociogrammethode. De methode lijkt geschikt te zijn om de mate van afwijzing en acceptatie van een kind door leeftijdgenoten te bepalen.

Wij raden onze opdrachtgever (Bob van der Meer, Europees Expertisecentrum voor Veiligheid, toevoeging Davidse/van Vreeswijk) dan ook aan om dit instrument, bij zijn aanpak van pesten, in te blijven zetten en basisscholen te adviseren een sociogrammethode te gebruiken. Verder onderzoek achten wij daarnaast van belang om de validiteit van de sociogrammethode te verhelderen. Daarnaast pleiten wij voor een combinatie van een 'peernomination' methode en een 'peerrating' methode. De combinatie van beide methodes verhoogt de betrouwbaarheid van de indeling van kinderen in de sociometrische statustypen. Aangezien pesten invloed blijkt te hebben op de sociaal-emotionele ontwikkeling doen scholen er goed aan, naast een sociogram, een persoonlijkheidsvragenlijst zoals de CBS-K in te zetten. Problemen in de ontwikkeling van kinderen ten gevolge van pesten, kunnen door een dergelijk instrument eerder gesignaleerd en aangepakt worden. Ten slotte zou het interessant zijn verder onderzoek te doen naar het statustype 'controversieel'. Over de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen met dit statustype is nog weinig bekend.

Het onderzoek is naar tevredenheid verlopen. De resultaten geven een duidelijk antwoord op de hoofdvraag. Er is een samenhang aangetoond tussen het statustype 'verworpen' en het zelfbeeld. Genegeerde kinderen laten in eerste instantie geen negatief zelfbeeld zien, maar behoren wel tot de groep kinderen met een lage sociometrische status. Zij verdienen daarom ook extra aandacht. Aanbevelingen zijn gedaan om signalen van pesten tijdig op te merken. Naar aanleiding van dit onderzoek kan verder onderzoek worden gedaan naar de effecten van pesten op de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen.

6 Conclusies en aanbevelingen

Het doel van dit afstudeerproject was aan te tonen of er een verband is tussen de sociometrische statustypen 'genegeerd' en 'verworpen' en het zelfbeeld van een kind. Door mogelijke gevolgen van pesten voor het zelfbeeld eerder te signaleren en te erkennen kan er adequate hulp geboden worden en veel leed worden voorkomen. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste conclusies uit het onderzoek weergegeven. Ten slotte volgen enkele aanbevelingen.

6.1 Hoofd- en deelvragen

De centrale vraag van dit onderzoek luidde: "Wat is het verband tussen de sociometrische statustypen 'genegeerd' en 'verworpen' en het zelfbeeld van leerlingen in groep 6?" Deze vraag was niet direct te beantwoorden. Het verschil in competentiebeleving tussen deze statustypen is onderzocht met behulp van de Chi-kwadraat-toets en de T-toets. Om de statustypen 'verworpen' en 'genegeerd' in relatie tot de competentiebeleving zo volledig mogelijk in kaart te brengen, zijn ook vergelijkingen gemaakt tussen de statustypen 'verworpen' en gemiddeld' (paragraaf 5.4) en 'genegeerd' en 'gemiddeld' (paragraaf 5.5). Daarnaast is de samenhang berekend tussen de vijf statustypen en het zelfbeeld met behulp van Spearmans rangcorrelatie. Met behulp van deze analysetechnieken is getracht zo dicht mogelijk bij de centrale vraagstelling te blijven.

De deelvragen zijn behandeld in de eerste drie hoofdstukken. De eerste twee deelvragen met betrekking tot pesten en zelfbeeld zijn beantwoord in hoofdstuk twee. Deelvraag drie tot en met zeven is uitgewerkt in het derde hoofdstuk. De achtste deelvraag "Hoe ziet het zelfbeeld eruit van de genegeerde en verworpen leerlingen uit groep zes?" wordt beantwoord in paragraaf 6.2.

6.2 Het zelfbeeld van genegeerde en verworpen kinderen

Uit de resultaten blijkt dat er een significant verband bestaat tussen genegeerde en verworpen leerlingen met betrekking tot hun competentiebeleving op de schaal Sociale acceptatie (Sa). Verworpen kinderen voelen zich minder sociaal geaccepteerd dan genegeerde kinderen. Deze uitkomst hadden wij op basis van literatuur verwacht.
Verder komt uit de Chi-kwadraat-toets naar voren dat verworpen kinderen zichzelf lager beoordelen op de schaal Gedragshouding (Gh). Dit verschil is bijna significant. Verworpen kinderen vinden dat ze zich minder naar verwachting gedragen dan genegeerde kinderen. Dit sluit aan bij de eerder uitgesproken verwachting dat verworpen (agressieve) kinderen, vanwege ernstige gedragsproblemen, laag scoren op de schaal Gedragshouding. Ook op de schaal Gevoel van eigenwaarde (Ge) komt een bijna significant verschil naar voren tussen genegeerde en en verworpen kinderen. Verworpen kinderen hebben een lager gevoel van eigenwaarde dan genegeerde kinderen. Dit bevestigt de verwachting van een lage zelfwaardering bij verworpen (teruggetrokken) kinderen, zoals beschreven in hoofdstuk vier. Uit deze verschillen is af te leiden dat verworpen kinderen op bovenstaande gebieden (Sa, Gh en Ge) een geringere competentiebeleving hebben dan genegeerde kinderen. Op basis van literatuur konden er geen verwachtingen uitgesproken worden met betrekking tot genegeerde kinderen. De resultaten laten echter zien dat genegeerde kinderen minder problemen ondervinden met hun zelfbeeld dan verworpen kinderen.

Naar aanleiding van de literatuur is de voorzichtige uitspraak dat verworpen kinderen laag zouden scoren op de schaal Schoolse vaardigheden. Dit is niet uit de resultaten naar voren gekomen.

6.3 Het zelfbeeld van verworpen en gemiddelde kinderen

De resultaten wijzen op een significant verschil tussen verworpen en gemiddelde kinderen op de schaal Sociale acceptatie (Sa). Dit houdt in dat verworpen kinderen minder gemakkelijk vrienden maken en zich minder geliefd voelen dan gemiddelde kinderen.
Tevens werd uit de Chi-kwadraat-toets een bijna significant verschil zichtbaar tussen verworpen en genegeerde kinderen op de school Sportieve vaardigheden (Sv). De T-toets onderstreept dit verschil met een significantie op een 95% betrouwbaarheidsniveau. Voor verworpen kinderen houdt dit in dat zij van zichzelf vinden dat ze minder goed zijn in sport, gymnastiek en buitenspelletjes ten opzichte van gemiddelde kinderen. Verder komt uit de Chi-kwadraat-toets een significant verschil naar voren op de schaal Gedragshouding (Ch). Verworpen kinderen vinden meer dan gemiddelde kinderen dat ze zich niet naar behoren gedragen. De T-toets laat ten slotte bijna twee significante verschillen zien op de schalen Schoolvaardigheden (Sv) en Fysieke verschijning (Fv). Verworpen kinderen beoordelen hun schoolprestaties en hun uiterlijk lager dan gemiddelde kinderen. Uit deze verschillen wordt duidelijk dat verworpen kinderen ten opzichte van gemiddelde kinderen op een groot aantal gebieden een negatiever zelfbeeld hebben.

6.4 Het zelfbeeld van genegeerde en gemiddelde kinderen

Uit de resultaten komen geen significante verschillen naar voren tussen genegeerde en gemiddelde leerlingen met betrekking tot hun competentiebeleving. Hieruit kan geconcludeerd worden dat genegeerde kinderen geen negatievere zelfbeleving hebben dan gemiddelde kinderen.

6.5 Samenhang tussen statustypen en zelfbeeld

Uit de resultaten van de Spearmans rangcorrelatie is een zwakke, positieve samenhang tussen de statustypen en de competentiebeleving naar voren gekomen. Een hogere sociometrische status correleert met een hogere competentiebeleving. De correlaties tussen de statustypen en de schalen Sociale acceptatie (Sa), Sportieve vaardigheden (Sv), Fysieke verschijning (Fv), Gedragshouding (Gh) en Gevoel van eigenwaarde (Ge) zijn statistisch significant. Opvallend is dat de correlatie met de Sociale acceptatie het sterkst is. De sociometrische status heeft dus voornamelijk invloed op de mate waarin een kind zich als geliefd ervaart. Daarnaast speelt de sociometrische status een rol bij de beoordeling van een kind met betrekking tot het participeren bij sport, de beoordeling van het uiterlijk, de mening over het eigen gedrag en het algemene gevoel van eigenwaarde.

Er is geen significante samenhang tussen de statustypen en de schaal Schoolvaardigheden (Sv). Hieruit kan geconcludeerd worden dat de sociometrische status geen invloed heeft op de visie van een kind ten opzichte van zijn of haar schoolprestaties.

Uit bovenstaande wordt duidelijk dat kinderen met een lage sociometrische status over het algemeen een negatievere zelfbeoordeling hebben dan kinderen met een hoge sociometrische status.

6.6 Hoofdconclusie

In antwoord op de hoofdvraag kan gesteld worden dat de status 'verworpen' een negatieve invloed heeft op het zelfbeeld van een kind. Kinderen met deze status hebben een geringere competentiebeleving dan genegeerde kinderen. Het verschil in competentiebeleving komt nog duidelijker naar voren wanneer verworpen kinderen worden vergeleken met gemiddelde kinderen. Verworpen kinderen laten op een groot aantal schalen van de CBS-K een negatiever zelfbeeld zien. De status 'genegeerd' lijkt geen invloed te hebben op het zelfbeeld of de competentiebeleving van een kind. Genegeerde kinderen schatten hun competenties niet lager in dan gemiddelde kinderen. Het blijkt echter wel dat over het algemeen kinderen met een lage sociometrische status een negatievere zelfbeoordeling hebben dan kinderen met een hoge sociometrische status. Er is sprake van een zwakke, positieve samenhang wanneer de statustypen in rangorde van hoog naar laag worden gecorreleerd met de competentiebeleving. Opgemerkt moet worden dat de correlatie dermate zwak is, dat uitspraken hierover gepaard moeten gaan met enige voorzichtigheid.

Evaluatie doelstelling
Doel van dit onderzoek was een verband aan te tonen tussen de sociometrische statustypen en het zelfbeeld en de betekenis hiervan aan te duiden voor de validiteit van de sociogrammethode. Beide componenten van de doelstelling zijn behaald. Uit het onderzoek komt duidelijk naar voren dat de sociometrische status samenhang vertoont met het zelfbeeld, zoals op grond van de literatuur te verwachten was. Dit geeft een positieve indruk van de begripsvaliditeit van de gebruikte sociogrammethode. De methode lijkt geschikt om de mate van afwijzing en acceptatie van een kind door leeftijdgenoten te bepalen. Verder onderzoek is noodzakelijk om de validiteit verder te bepalen.

6.7 Discussie over uitkomsten

De positie van genegeerde kinderen is in de literatuur omstreden. Door Parker en Asher (1987, in van der Meer 2000) worden zowel genegeerde als verworpen kinderen aangemerkt als risicogroep. Van IJzendoorn en Cillessen (1991, in van der Meer 2000) spreken de zorg uit dat een deel van de genegeerde kinderen het risico loopt later tot de verworpen status te gaan behoren. Andere onderzoekers geven aan dat genegeerde kinderen niet als risicogroep moeten worden gezien (Rubin, Hymel, LeMare & Rowden, 1989, in van der Meer 2000). Genegeerde kinderen blijken goed aangepast te zijn en niet eenzaam of ongelukkig met hun sociale leven (Harris et al., 1997; Ladd & Burgess, 1999, in Berk, 2009). In ons onderzoek is ook sprake van enige tegenstrijdigheid in de resultaten met betrekking tot de genegeerde kinderen. Enerzijds komt duidelijk naar voren dat genegeerde kinderen geen specifieke problemen ondervinden met hun zelfbeeld. Anderzijds blijkt dat kinderen met een lage sociometrische status een negatiever zelfbeeld hebben dan kinderen met een hoge sociometrische status. Dit zou dus ook moeten gelden voor genegeerde kinderen. Ons inziens zijn deze resultaten echter te zwak om stellige uitspraken te kunnen doen met betrekking tot een negatief zelfbeeld specifiek bij genegeerde kinderen. De resultaten van Spearmans rangcorrelatie kunnen wel gebruikt worden ter verdediging van de positie van kinderen met een lage sociale status. Dit wordt ondersteund door van der Ploeg (2003), die stelt dat er drie minder gunstige statustypen zijn: verworpen, genegeerde en controversiële kinderen.

Een ander discussiepunt is de begripsvaliditeit van de sociogrammethode. In de literatuur wordt hier weinig over gesproken. Verschillende onderzoekers noemen als nadeel dat het niet duidelijk is of de verschillende sociometrische technieken wel hetzelfde meten. 'Peer nomination' en 'peer rating' onderzoeken wellicht verschillende aspecten van sociale status (Gresham 1981, Schofiel en Whiley, 1983 in Seyssens, 2007-2008). Een kritische vraag die bij ons opkwam tijdens dit onderzoek heeft betrekking op de begripsvaliditeit: "Meet het sociogram wat het beoogt te meten?" Uit onze eigen onderzoeksresultaten komt duidelijk naar voren dat de sociometrische status samenhang vertoont met het zelfbeeld, zoals dat op grond van de literatuur te verwachten was. Dit wijst erop dat de vragen van de sociogrammethode: "Met wie ga je om?" en "Met wie ga je niet om?", een goed beeld geven van de mate van geliefdheid van een kind en goed omgezet kunnen worden naar een sociometrische status. Dit geeft een positieve indruk van de begripsvaliditeit van de sociogrammethode.

Daarnaast komt uit een studie van Balda, Punia en Singh (2005 in Seyssens, 2007-2008) naar voren dat de test-hertest betrouwbaarheid van de 'peer nomination' methode minder hoog is dan bij 'peer rating'. In dit onderzoek is de 'peer nomination' toegepast. Een tweede vraag die bij dit onderzoek naar voren kwam, was: "Wordt de sociogrammethode op deze manier zo effectief mogelijk toegepast?"
De vraag of 'peer nomination' een meer betrouwbare vorm van sociometrie is dan 'peer rating' is met dit onderzoek niet direct beantwoord. Uit een onderzoek van Vertyuli, Bolz en Choi (2004 in Seyssens, 2007-2008) blijkt, in tegen stelling met de studie van Balda, Punia en Singh, dat de sociometrische methodes wel inwisselbaar en beide even effectief in het aanwijzen van afgewezen kinderen zijn. Verder onderzoek is nodig naar de betrouwbaarheid van beide methodes, aangezien verschillende onderzoeksresultaten elkaar tegenspreken.

6.8 Sterktes en zwaktes van het onderzoek

De omvangrijke steekproef en de bijna volledige respons zijn als sterke punten van dit onderzoek aan te wijzen. Daarnaast is het onderzoeksonderwerp actueel. Een ander sterk punt is dat de resultaten grotendeels overeenkomen met de literatuur, wat de overtuigingskracht van de resultaten verhoogt. Ten slotte is mogelijke ruis geminimaliseerd door van te voren de deelnemende scholen in te lichten over de gewenste testomstandigheden.

Zwakke punten zijn de formulering van de onderzoeksvraag en de operationalisatie van bijbehorende begrippen. Vooral bij het begrip 'zelfbeeld' ontstond enige begripsverwarring. Aangezien we de CBS-K hebben gebruikt om het zelfbeeld in kaart te brengen, hadden we eerder de handleiding van de CBS-K als literatuurbron moeten raadplegen. In hoofdstuk 3.5 hebben we dit alsnog gedaan en het concept zelfbeeld nader uitgewerkt. De onderzoeksvraag was niet direct met een SPSS-toets te beantwoorden en daarom niet concreet genoeg.

Bij de testafnames bleek verder dat voor de jongste kinderen de vraagstelling van de CBS-K aan de moeilijke kant was. Mogelijk heeft onbegrip van de vragen de testresultaten beïnvloed. Een ander zwak punt is de beperkte landelijke spreiding. Ten slotte is de berekening van de statustypen niet helemaal waterdicht. Een aantal leerlingen kon niet eenduidig in één van de statustypen worden ingedeeld. Overleg met Rob Gommans en professor Cillessen heeft uitgewezen dat deze leerlingen waarschijnlijk niet voldoen aan de criteria om ingedeeld te worden in één van de groepen.

6.9 Aanbevelingen

Dit onderzoek is een kleine schakel in het grote geheel aan onderzoek, dat gedaan wordt om het probleem van pesten op een goede manier aan te pakken. Het verband tussen de statustypen en het zelfbeeld dat met dit onderzoek is aangetoond, heeft een positieve indruk van de geldigheid van de sociogrammethode om de mate van afwijzing en acceptatie van een kind door leeftijdgenoten te bepalen en om te zetten naar statustypen. Wij raden onze opdrachtgever dan ook aan om aan dit instrument bij de aanpak van pesten in te blijven zetten en basisscholen te adviseren een sociogrammethode te gebruiken.

Daarnaast raden wij verder onderzoek aan om de validiteit van de sociogrammethode uitgebreider te kunnen bepalen en op grond daarvan het instrument eventueel te verbeteren. Dit kan bijvoorbeeld door de sociogramgegevens af te zetten tegen een extern criterium, zoals een interview met de leerkracht van de klas. De correlatie tussen enerzijds de sociogramgegevens en anderzijds de mate van geliefdheid (van de leerlngen) volgens de leerkracht, geeft een indicatie van de criteriumvaliditeit van het sociogram. Bij de vaststelling van de criteriumvaliditeit doen zich twee problemen voor waar rekening mee moet worden gehouden. Het is lastig een extern criterium te vinden dat een goede afspiegeling vormt van de meetmethode. In dit geval is dit de mate van geliefdheid van kinderen. Daarnaast is het externe criterium vaak onbetrouwbaar. In het voorbeeld van een interview met een leerkracht is er sprake van een persoonsbeoordeling, waarbij subjectiviteit en wisselvalligheid een rol kunnen spelen. Naar onze mening moet deze manier van onderzoek dan ook niet als leidend worden beschouwd, maar als een aanvulling. Een andere manier om de validiteit van de sociogrammethode te bepalen is door onderzoek te doen naar de soortgenootvaliditeit. Dit is een onderdeel van de begripsvaliditeit, waarbij speciale aandacht wordt besteed aan overeenkomsten met bestaande tests met dezelfde meetpretentie (Krielen, 1997 in Romer, 2004). Hierbij kan gedacht worden aan een vergelijking van de sociogrammethode met de Klasgenoten Relatie Vragenlijst-Junior (KRVL-J). Dit is een zelfrapportagemaat, waarbij kinderen kunnen aangeven wie naar hun oordeel gepest wordt en wie meedoet aan pesten (Liebrand, van IJzendoorn & van Lieshout, 1991; Olweus, 1989 in Bokhorst et al., 2002).

In de discussie van dit onderzoek beschreven wij al dat er verschillende meningen zijn over de vraag of peer rating een betere sociometrische techniek is dan peer nomination. Wij pleiten voor een combinatie van beide methodes. Maassen, van der Linden, Goossens & Bokhorst (2000) geven aan dat een combinatie de betrouwbaarheid van de indeling van kinderen in de sociometrische statusgroepen verhoogt (in Bokhorst et al., 2002).

Aangezien pesten invloed blijkt te hebben op de sociaal-emotionele ontwikkeling doen scholen er goed aan naast een sociogram een persoonlijkheidsvragenlijst, zoals de CBS-K in te zetten. Voor de jongste kinderen raden wij een andere vragenlijst aan, bijvoorbeeld de ZALC (ZinnenAanvulLijst Curium). Deze lijst is bedoeld om het niveau van de sociaal-emotionele ontwikkeling te bepalen (www.pearsonnl.com). Problemen in de ontwikkeling van kinderen ten gevolge van pesten kunnen door dergelijke instrumenten eerder worden gesignaleerd en aangepakt.

Eerder in deze scriptie is beschreven dat gepest worden een ingrijpende levensgebeurtenis is en het ontwikkelen van een positief zelfbeeld in de weg staat. De resultaten van dit onderzoek laten zien dat kinderen met een verworpen status een negatiever zelfbeeld hebben dan kinderen met een ander statustype. Hoewel genegeerde kinderen minder problemen lij-ken te ondervinden met hun zelfbeeld behoren ze wel tot de groep kinderen met een lage sociale status. Net als voor controversiële kinderen houdt dit in dat ze meer risico lopen gepest te worden dan populaire en gemiddelde kinderen. Ons inziens is het van belang dat de totale groep kinderen met een lage sociometrische status in het oog wordt gehouden om erger te voorkomen. Het zou verder interessant zijn onderzoek te doen naar het statustype 'controversieel'. Over de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen met dit statustype is nog weinig bekend.

c 2009 Neelie Davidse & Mirjam van Vreeswijk
Saxion Hogescholen, locatie Deventer

Artikel afkomstig van www.bobvandermeer.info:
http://www.bobvandermeer.info/index.php?option=com_content&task=view&id=233&Itemid=1

© Bob van der Meer, 2017
© Alle rechten voorbehouden
© Bobvandermeer.info, 19.11.2017 10:20
http://www.bobvandermeer.info