Verklaringsmodel

verklaringsmodel.jpg

Verklaringsmodel van pesten, geweld of
ongewenste omgangsvormen op school

Aan ongewenste omgangsvormen in het onderwijs liggen drie algemene oorzaken ten grondslag: evenwichtsverstoring, het zondebokfenomeen en andere bronnen van agressie dan frustratie.

De eerste oorzaak is een crisis, ook wel verstoord evenwicht genoemd. Deze evenwichtsverstoring is te wijten aan factoren binnen of buiten een groep. Evenwichtsverstoringen binnen de groep zijn: slechte relaties binnen de groep, strijd om de macht of jaloezie. Evenwichtsverstoringen buiten de groep zijn: autoritair gedrag, machtsmisbruik of onmacht om met macht om te gaan van docenten.

Verstoring van het evenwicht kan leiden tot frustratie. Als aan de bron van frustratie niets kan worden gedaan of als de leerlingen hun frustratie niet kunnen omzetten in creatief verzet, kan de frustratie tot agressie leiden. Met de aldus opgewekte agressie kan de leerling op positieve of negatieve manier omgaan.

Op positieve wijze door middel van - onder andere - sportmotorische activiteiten. Op negatieve wijze, op vijf manieren. In het geval van het slachtoffer, middels geweld tegen zichzelf, ook wel internaliserende gedragsproblemen genoemd. De niet-slachtoffers, door middel van geweld tegen 'de ander' binnen de groep (pesten); door direct of indirect geweld tegen de school of door middel van geweld tegen de maatschappij, ook wel externaliserende gedragsproblemen genoemd.

Figuur 1: Manieren van omgang van mensen met elkaar, volgens Allport

op vriendschappelijke manier samenwerking 
 respect
 tolerantie
 sympathie/
antipathie
 vooroordeel
 discriminatie
op vijandige manierhet zondebokfenomeen  


De tweede oorzaak is het zondebokfenomeen, de meest vijandige manier van omgang van mensen met elkaar (figuur 1). Mensen gaan op twee manieren met elkaar om: op een vriendschappelijke of op een vijandige manier. De ‘omslag’ van vriendschappelijk naar vijandig ligt bij sympathie/antipathie. Als niemand iets doet tegen antipathie, leidt dat ‘vanzelf’ tot vooroordelen. Neemt niemand duidelijk stelling tegen vooroordelen, dan resulteert het in discriminatie. En als niemand iets doet aan discriminatie, leidt dit noodzakelijkerwijs tot het zondebokfenomeen: het verschijnsel dat mens en dier slachtoffers (nodig) hebben.

Het zondebokfenomeen nu is in de eerste plaats een groepsverschijnsel, aangetoond bij dier en mens. Bij dieren: bij apen, ratten, kippen en katten. Bij mensen: in gezinnen, onderwijs, leger, bedrijven, inrichtingen en in tehuizen voor senioren. Het is in de tweede plaats een maatschappelijk verschijnsel. Voorbeelden hiervan zijn: kindermishandeling, seksueel misbruik, seksuele intimidatie en vrouwenmishandeling. En tot slot is het een verschijnsel van alle tijden. Voorbeelden hiervan zijn: de heksen-, joden- en homovervolging.

In het onderwijs is grosso modo sprake van zes mogelijke relaties waartussen het zondebokfenomeen, machtsmisbruik, geweld, pesten, ongewenste omgangsvormen kunnen plaatsvinden, namelijk tussen:

- leerlingen onderling
- leerlingen en leerkrachten
- leerkrachten en leerlingen
- personeel onderling
- school en ouders en
- ouders en school.

Om achter (de) vijandige manieren van omgang binnen scholen te komen is een enquête ontwikkeld, die alle mogelijke ongewenste omgangsvormen oplevert en een keur aan oplossingen biedt.

Ten derde: er zijn ook andere bronnen van agressie dan alleen frustratie. Zij kunnen het geweld tegen 'de ander' versterken. Het zijn: opvoeding/normen en waarden van ouders, opdracht van een autoriteit, groepsdruk, biologische factoren, mediageweld, voedsel en karaktereigenschappen van de pester. In het laatste geval hebben we te maken met een psychisch zieke leerling: hij of zij geniet van het spel om leeftijdgenoten lichamelijk of geestelijk pijn te doen.

In het model wordt onderscheid gemaakt tussen een curatieve en een preventieve aanpak van geweld. Om slechts één reden wordt gekozen voor de curatieve aanpak. Ze luidt als volgt: het zondebokfenomeen is niet alleen een perfect aangrijpingspunt om een school veilig(er) te maken, maar ook een noodzakelijk aangrijpingspunt. Pas wanneer dit structureel aangepakt en zoveel als mogelijk opgelost is, zijn preventieve sociale vaardigheidstrainingen zinvol. Zo niet, dan is het dweilen met de kraan open, water naar de zee dragen of welke uitdrukking hiervoor gebruikt wordt.

Bronnen:
Meer, B. van der (2000), School en geweld, oorzaken en aanpak. Assen: Van Gorcum. ISBN 978 90 232 3503 3.
Meer, B. van der (2012). Geweld als onderwijsprobleem. Rosmalen: Europees Expertisecentrum voor Veiligheid. Dit boek staat niet meer op mijn site. Informatie hierover verschijnt binnenkort in de rubriek Nieuws op deze site.

Theoretische onderbouwing
Alhoewel ik in mijn boek School en geweld, oorzaken en aanpak, een theoretische verantwoording geef voor het model, hieronder in het kort een verantwoording. Het uitgangspunt hierbij is het zondebokfenomeen.

Definitie zondebokfenomeen
Ter verkalring van pesten ga ik uit van het zondebokfenomeen, het verschijnsel dat mens en dier slachtoffers (nodig) hebben.
Een definitie van dit verschijnsel is: 'Het zondebokfenomeen is de overdracht van vijandigheid op een onschuldig en hulpeloos slachtoffer, wanneer of omdat de eigenlijke bron van frustratie niet aanwezig is of om andere redenen niet aangevallen kan worden' (Wrightsman, 1972).

Een groepsverschijnsel, een maatschappelijk verschijnsel en een verschijnsel van alle tijden
Het zondebokfenomeen (van der Meer, 1988; 1991-1) is in de eerste plaats een groepsverschijnsel, aangetoond bij dier en mens. Bij dieren: bij apen, ratten, kippen en katten. Bij mensen: in het onderwijs, leger, bedrijven, inrichtingen en bij senioren in tehuizen.
Het is in de tweede plaats een maatschappelijk verschijnsel. Voorbeelden hiervan zijn: huiselijk geweld, vrouwenmishandeling, kindermishandeling, seksueel misbruik en seksuele intimidatie.
En in de derde plaats is het een verschijnsel van alle tijden. Voorbeelden hiervan zijn: de Joden-, de heksen- en de homovervolging.

Relatie tusen frustratie en agressie
Een verondersteld verband tussen frustratie en agressie is de frustratie-agressiehypothese. Deze hypothese is afkomstig van de Yale-groep (1). De hypothese luidde: frustratie leidt altijd tot agressie en de enige bron van agressie is frustratie.

Kritiek
In 1969 uitte Berkowitz kritiek op dit unicausale verband. Als volgt:
- Frustratie hoeft niet altijd tot agressie te leiden.
Hiervoor vulde ik het (creatieve) verzet van leerlingen in het model in, ook wel genoemd anti-school cultuur of counter school culture (Willis, 1977).
- Er zijn ook andere oorzaken van agressie dan frustratie.
Hier voegde ik in het model zes mogelijke oorzaken in: opvoeding/normen en waarden van ouders (Olweus, 1987), opdracht van een autoriteit (Milgram, 1963), groepsdruk (Zimbardo, 1969), biologische factoren (meerdere auteurs), mediageweld (meerdere auteurs) en karaktereigenschappen van de pester (Olweus, 1987).
- Aan zijn kritiek voegde ik in de eerste plaats een - mits op juiste wijze uitgevoerd - goede manier van omgang met agressie toe: sporten.
- Aan zijn kritiek voegde ik in de tweede plaats de volgende negatieve manieren van omgang met agressie toe:
. Geweld tegen zichzelf, in de vorm van: depressie, eetstoornissen, automutilatie en overwegingen of pogingen tot zelfmoord. Deze vormen van geweld worden internaliserende  gedragsproblemen (van der Ploeg & Ferwerda, 1998) genoemd.
. Geweld tegen 'de ander', in de schoolsituatie geweld, pesten of ongewenste omgangsvormen tussen leerlingen onderling, tussen leerlingen en leerkrachten, leerkrachten en leerlingen, personeel onderling, tussen school en ouders en tussen ouders en school.
Om zicht te krijgen op het bestaan van deze ongewenste omgangsvormen werd een eenvoudige enquête ontwikkeld die binnen de door mij uitgevoerde pilotprojecten goede resultaten heeft opgeleverd.
. Direct geweld tegen school, in de vorm van graffiti, stelen of vernielen van schooleigendommen.
. Indirect geweld tegen school, in de vorm van schoolverzuim, spijbelen en voortijdig schoolverlaten.
. Geweld tegen de maatschappij, in de vorm van criminaliteit. Deze vormen van geweld kunnen worden benoemd met: externaliserende gedragsproblemen.

Geweld tegen 'de ander'
Het geweld tegen 'de ander' kan worden verklaard met behulp van de theorie van Allport (1978). Aan hem, de founding father van de Sociale Psychologie in de Verenigde Staten van Amerika, werd gevraagd de Shoah te verklaren. Zie voor een verdere uitwerking van zijn theorie het hierboven geplaatste figuur 1 en de toelichting erop.

Het zondebokmechanisme
Omdat er teveel mogelijke oorzaken van frustratie voorhanden waren die niet allen in het model konden worden opgenomen, vond ik een oplossing hiervoor in Girard's term crisis/verstoord evenwicht. Als volgt.
In tijden van crises die cultureel, economisch of sociaal van aard kunnen zijn, kijkt de massa niet naar de mogelijke oorzaken van de crisis, maar stelt een onschuldig slachtoffer of groep verantwoordelijk voor de crisis.
Deze macrotheorie heb ik toegepast op een microsituatie, de klas als groep of individuen binnen en buiten de groep. Een oorzaak binnen de groep is dan: slechte relaties binnen de groep en een orzaak buiten de groep: de leiderschapsstijl van de leerkracht (2).

Drie eisen aan een goede aanpak van peten
Ter aanpak van pesten, geweld, ongewenste omgangsvormen stelde ik daarna drie eisen aan een goede aanpak ervan:

1 De aanpak is in twee opzichten integraal
(van der Meer, 1991-1)
Enerzijds door pesten op te vatten als geweld en het op deze manier in te passen binnen een verklaringsmodel van geweld. Zie hierboven.
Anderzijds door alle bij het probleem betrokken partijen in te schakelen bij de aanpak ervan: mijn vijfsporenaanpak van pesten.
Bij pesten onderscheid ik de vijf partijen: de zwijgende middengroep, de pester, de leerkracht, de ouder en het slachtoffer, waarbij ten aanzien van de zwijgende middengroep vijf subgroepen zijn te onderscheiden: de leerlingen die mee pesten uit angst; mee pesten uit berekening; de leerlingen die niet pesten, maar ook geen duidelijk stelling nemen; de enkeling die het niet ziet; en de enkeling met een hoge status in de groep die het af en toe voor het slachtoffer opneemt.
Daarnaast onderscheid ik de volgende vier psychologische mechanismen: het zondebokfenomeen of -mechanisme, de samenzwering om te zwijgen, het omstandersdilemma en de neiging van ons allen om het slachtoffer van geweld (een gedeelte van) de schuld te geven, ook wel 'blaming the victim' genoemd. Zie voor de visuele weergave van deze partijen en mechanismen het artikel De vijfsporenaanpak van pesten in de rubriek Gratis op www.pesten.net.
Deze vijf partijen en vier mechanismen zijn ook te onderscheiden bij de hierboven genoemde andere vormen van geweld: geweld als groepsprobleem, geweld als maatschappelijk probleem en geweld als probleem van alle tijden. Toegepast op de Shoah. De daders: Hitler, SS. De zwijgende middengroep: bestaande uit Duitsers die mee deden uit angst, degenen die mee deden uit berekening, zij die niet mee deden, maar ook geen duideijk stelling namen, de Duitsers die het niet geweten hebben, de enkeling die het af en toe voor de Joden heeft opgenomen; de officiële katholieke of protestant-christelijke kerk, die het hebben geweten, maar in ieder geval geen duidelijk stelling hebben genomen en de inwoners van andere landen die het wisten, maar geen hulp konden bieden.

2 Het probleem wordt structureel aangepakt (van der Meer, 1993-4)

Zie voor een uitwerking van deze eis paragraaf 5.3 van het boek Geweld als onderwijsprobleem, dat wellicht binnenkort als boek wordt uitgebracht.

3 De aanpak leidt tot attitudeverandering (van der Meer, 1995-2)
Aangezien een attitude bestaat ui drie componenten: de cognitieve component, de emotioneel-affectieve component en de conatieve (de wils- of streef)component, de bovenste drie knoppen van de website www.pesten.net; en voor een blijvende attitudeverandering drie strategieën moeten worden toegepast: de machtsstrategie, de heropvoedende strategie en de psychologische wetmatighedenstrategie, de onderste drie knoppen van de website www.pesten.net, kan een geweldprobleem als pesten slechts worden aangepakt en zoveel als mogelijk opgelost als, naast een integrale en structurele aanpak, ook aandacht wordt besteed aan de componenten van een attitude en de drie stategieën om attituden te veranderen. Hierbij dient vermeld te worden dat voor alle componenten en strategieën producten voorhanden zijn.

Tot slot
Girards boek De zondebok, dat mij werd geadviseerd door mijn toenmalige collega bij het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum (APS) Ido Abram, hoogleraar Shoah aan de Universiteit van Amsterdam, heeft mij in verschillende opzichten enorm geholpen.
- Zijn macrotheorie heb ik toegepast op de microsituatie, de klas als groep.
- Zijn term crisis heeft mijn verklaringsmodel van geweld voltooid.
- Hij heeft mij duidelijk gemaakt dat een van de centrale thema's uit het Oude en Nieuwe Testament het zonbokmechanisme is: Job, Jona, Abel, Jonas, Mozes, Johannes de Doper, Christus, en de vindplaats hiervoor gegeven: Leviticus 6, 1-22. Daarin wordt beschreven dat de hogepriester Aäron, onder bepaalde ceremoniën, de zonden van de aanwezige stamleden overbracht op twee bokken. De eerste werd daarna geslachtofferd. De ander de wildernis ingedreven. Een betere uitleg van het zondebokfenomeen of -mechanisme dan in de Bijbel heb ik nog niet gevonden.
- Dit gegeven heeft mij een argument in handen gegeven om katholieke en protestant-christelijke scholen te vragen pesten tussen leerlingen op school serieus te nemen. Het argument hierbij was, dat, als het waar is dat een van de centrale thema's uit het Oude en Nieuwe Testament het zondebokfenomeen of -mechanisme is, scholen die zeggen zich te baseren op de Evangeliën, maar daarna niets doen ter aanpak van het probleem, hun opdracht verzaken.
- En hij heeft mij duidelijk gemaakt dat een school niet alleen een Evangelische opdracht heeft om 'de zwakkeere' in de maatschappij te beschermen, maar ok het buitensluiten van 'de ander', op grond van welk kenmerk dan ook, zoveel als mogelijk te doen stoppen.
Als we er in slagen dit aan leerlingen te leren, is mijn hoop dat veel van de hieboven genoemde soorten geweld minder zullen worden toegepast en hebben we, in de aanpak van geweld, een volgende stap gezet.

Noten
1 De frustratie-agressie hypothese was een rond 1939 door de zogenoemde Yale-groep naar voren gebrachte verklaring voor agressie. Deze groep ging ervan uit dat de mens zoekt naar bevrediging van de eigen wensen. Wanneer dit niet lukt, treedt frustratie op en volgens de Yale-groep zou dit altijd en overal tot agressie leiden. De agressie werd als een natuurlijke reactie gezien. Psychologen, verbonden aan de Yale-groep waren onder andere Jon Dollard, Neal Miller en Orval Mowrer.
Bron: Petersen, K. van & A. Bergsma (1998). Psychologie van A tot Z. Utrecht: Het Spectrum.
2 Andere mogelijke oorzaken van evenwichtsverstoring zijn: persoonlijke omstandigheden en gebeurtenissen van leerlingen; onaangepastheid van de leerstof aan de belangstelling van leerlingen; slechte relaties tussen leerlingen en leerkrachten; verschilen tussen thuis- en schoolnormen; kindermishandeling/seksueel misbruik binnen het gezin; biologisch-psychologishe ontwikkeling; cognitieve prestatiedwang; gezinsmoeilijkheden en schoolklimaat.

Literatuur
Allport, G.W. (1978). ABC's of Scapegoating. Chicago: Y.M.C.A.-College, 8-ste herziene druk.
Berkowitz, L. (1969). The frustration-aggression hypothesis revisited. In: L. Berkowitz (Ed.), Roots of Aggression: A re-examination of the frustration-aggression hypothesis. New York: Atherton.
Girard, R. (1986). De zondebok. Kampen: Kok-Agora.
Meer, B. van der (1988). De zondebok in de klas. Nijmegen: Berkhout.
Meer, B. van der (1991-1). Het zondebokfenomeen op school. In: A. Collot d'Escury-Koenigs, T. Engelen-Snaterse & L. Tijhuis (red.), Gelukkig op school? Emotionele stoornissen en het functioneren op school, pp 107-122. Lisse: Swets en Zeitllnger.
Meer, B. van der (1993-4). De probleemaanpak. Nijmegen: Berkhout.
Meer, B. van der (1995-2). Attitudeverandering door middel van pestprojecten op school. In: A. Collot d'Escury-Koenigs, T. Engelen-Snaterse & E. Mackaay-Cramer (red.), Sociale stoornissen en het functioneren op school, pp 107-122. Lisse: Swets en Zeitlinger.
Meer, B. van der (2000). School en geweld, oorzaken en aanpak. Assen: Van Gorcum.
Meer, B. van der (2012). Geweld als onderwijsprobleem. Rosmalen: Europees Expertisecentrum voor Veiligheid (E2V2). Geplaatst in de rubriek Gratis van website www.pesten.net en te downloaden door op de tekst te gaan staan en twee keer op Afdrukken te klikken.
Milgram, S. (1963). Behavioral study of obedience. Journal of Abnormal and Spcial Psychology, 67, pp 371-378.
Olweus, D. (1987). Bully/victim problems among schoolchildren in Scndinavia. In: J.P. Myklebust & R. Ommudson (red.), Psykoloprofesjonen mot ar 2000, pp 395-413. Oslo: Universitetsforlaget.
Willis, P. (197). Learning to Labour. How working class kids get working class jobs. Farnborough, Hants: Saxion House.
Ploeg, J.D. van der & H. Ferwerda (1998). Wat doen we met problematische jongeren? TJAZ, 04, pp 195-201.
Wrightsman, L.S. (1972). Social Psychology in the Seventies. Monterey: Brooks/Cole.
Zimbardo, P.G. (1969). The human choise: individuation, impuls, reason and order versus deindiduation, impulse and chaos. In: W. Arnold & D. Levine (Eds.), Nebraska Symposium on Motivation. Lincoln: University of Nebraska Press.

Bob van der Meer Psycholoog
Euroees Expertisecentrum voor Veiligheid (E2V2)
Hildebrandstraat 14
5242 GE Rosmalen
073-5217753/06-20406009
Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken

Artikel afkomstig van www.bobvandermeer.info:
http://www.bobvandermeer.info/index.php?option=com_content&task=view&id=314&Itemid=1

© Bob van der Meer, 2017
© Alle rechten voorbehouden
© Bobvandermeer.info, 19.11.2017 10:22
http://www.bobvandermeer.info