Twee opvattingen

Het eigenlijke probleem

Het probleem waar het draait is als volgt. Ik ben een ex-docent Lichamelijke Opvoeding. Ik heb zes jaar les gegeven aan mijn leerlingen van een school voor lager- en middelbaar huishoud- en nijverheidsonderwijs.
Als student Psychologie aan de Universiteit van Amsterdam werd ik daarnaast opgeleid tot wetenschappelijk onderzoeker. Toen ik, na het behalen van mijn kandidaats, aan mijn studiecoördinator aangaf dat ik mij binnen deze studie graag wilde gaan specialiseren op het oplossen van concrete onderwijsproblemen, was zijn antwoord dat het oplossen van concrete onderwijsproblemen binnen het doctoraal niet mogelijk was. 
Ik heb mij daarop direct als student Psychologie uitgeschreven aan de UvA; op mijn school, de Prinses Ireneschool in Amsterdam-West, mijn voorgenomen onderzoek uitgevoerd; mij, na de uitvoering van het onderzoek en de verwerking van de resultaten, aangemeld bij de studierichting Onderwijskunde van de Universiteit Leiden; studeerde daar af op dit onderzoek en mocht van mijn hoogleraar Piet van den Broek in het wetenschappelijke blad Tijdschrift voor Pedagogiek, Forum voor Opvoedkunde, een samenvatting van dit onderzoek schrijven. Het werd niet alleen geplaatst (1), Piet van den Broek zeif ook nog dat, als ik gelijk had, hij de helft van zijn wetenschappelijk medewerkers zou moeten ontslaan. De reden: met behulp van een eenvoudige maatregel: toepassing van het Hawthorne-effect, waren motivatieproblemen van leerlingen oplosbaar.. 

Het oplossen van onderwijsproblemen, in dit geval het pestprobleem op scholen, werd daarna mijn core business. De manier waarop dit zou moeten gebeuren legde ik in 1984 neer in het artikel, met als titel Vergroting van de probleemoplossende en zelf vernieuwende capaciteit van de school via de planmatige aanpak van het zondebokfenomeen.Het werd geplaatst in Thomas, vakblad voor katholieke leerkrachten Lichamelijke Opvoeding (2).

Ik ben dus een ex-docent Lichamelijke Opvoeding, die zes jaar les heeft gegeven aan leerlingen van een huishoudschool, die geen wetenschapper is geworden, als student slechts één onderzoek heeft uitgevoerd, dat gelukkig in een toen prestigieus blad werd geplaatst, niet promoveerde en zich slechts bezig heeft gehouden met de aanpak van concrete onderwijsproblemen, waaronder pesten tussen leerlingen op school. 

Aan deze aanpak stelde ik drie eisen, die ik in drie publicaties vastlegde. De eerste eis in 1991: het probleem wordt in twee opzichten integraal aangepakt. Enerzijds door alle partijen bij de aanpak ervan te betrekken: mijn vijfsporenaanpak van pesten. Anderzijds door pesten in te kaderen binnen een verklaringsmodel van geweld (3). De tweede eis in 1993: het probleem wordt structureel aangepakt. Dit wil zeggen: het probleem moet worden gesignaleerd, geanalyseerd, er moet een plan van aanpak worden gemaakt dat wordt uitgevoerd, waarna de aanpak tot slot wordt geëvalueerd (4). En in 1995 formuleerde ik mijn derde eis: de aanpak leidt tot attitudeverandering (5). 
Aangezien een attitude bestaat uit drie componenten: de cognitieve component, de emotioneel-affectieve component en de conatieve (wils- of streef-)component; en voor een blijvende attitudeverandering drie strategieën nodig zijn: de machts- of dwangstrategie, de heropvoedende strategie en het toepassen van de psychologische wetmatighedenstrategie, houdt dit in dat, voor een goede aanpak van het probleem, producten op de drie componenten en op de drie strategieën om attituden te veranderen, aanwezig moeten zijn. 
Als producten op de drie componenten en de drie strategieën voorhanden zijn en ze zijn voorhanden, is elke school in principe in staat niet alleen ongewenste omgangsvormen tussen de leerlingen aan te pakken, maar ook eventuele ongewenste omgangsvormen tussen de andere schoolgeledingen, zoals tussen leerlingen en leerkrachten, leerkrachten en leerlingen, personeel onderling, tussen school en ouders en tussen ouders en school (6); heeft de school een kader met behulp waarvan veel andere mogelijke geweldproblemen aangepakt en opgelost kunnen worden: kindermishandeling, seksueel misbruik, seksuele intimidatie, huiselijk geweld, pesten op het werk en vrouwenmishandeling; en vergroot de school zijn eigen probleemoplossend vermogen, exact zoals ik het in 1984 in het artikel in Thomas had aangegeven.

Met deze opvatting sta ik tegenover belangenorganisaties met veel macht, door mij ook wel genoemd de onderwijs-, onderwijsonderzoeks- en de onderwijsinnovatiemaffia: ministerie van OCW, universiteiten, aanbieders van antipestprogramma's, pedagogische centra en (kinder)ombudsmannen, die naar mijn mening allemaal andere belangen op het oog hebben dan het pestprobleem van kinderen en hun ouders oplossen. 

Gelukkig sta ik hierin niet alleen. Els Hendrikse, directrice van Stichting Veilig Onderwijs, strijdt al jaren met succes tegen slechte antipestprogramma's; Zeger Wijnands, auteur van het boek Als je wordt buitengesloten, heeft in dit boek op eminente wijze aangetoond dat pesten niet door middel van trainingen kan worden opgelost en willen alle onderwijsvakbonden: CNV, AOb en Federatie van Onderwijsvakorganisaties, hetzelfde als ik: een integrale aanpak, iedere geleding bij de aanpak ervan betrekken, niet alleen aanpak van ongewenste omgangsvormen tussen leerlingen, maar ook tussen de andere geledingen en meerdere eisen van de maatschappij onder één noemer brengen. 

Het eigenlijke probleem is dus de machtsstrijd van de gevestigde organisaties, die elkaars belangen verdedigen, met een docent Lichamelijke Opvoeding, die zes jaar les heeft gegeven aan leerlingen van een school voor lager- en middelbaar huishoud- en nijverheidsonderwijs, die slechts één wetenschappelijk artikel heeft gepubliceerd, geen wetenschapper is geworden, niet promoveerde, niet geciteerd wordt/is in wetenschapsbladen, maar die een probleemoplossingsstrategie heeft ontwikkeld, met behulp waarvan meer (onderwijs)problemen dan alleen maar pesten tussen leerlingen onderling aangepakt en opgelost kunnen worden, met behulp waarvan scholen hun eigen problemen kunnen oplossen en - in ieder geval - hiervoor niet meer afhankelijk zijn van onderzoekers en bedenkers van antipestprogramma's of sociale vaardigheidstrainingen. Dit is een ongelijke, maar geen hopeloze strijd. In dit soort situaties is geduld de (enige) oplossing.

Bronnen:
Meer, B. van der (1983-1). Het 3A-project: de invloed van aandacht op de prestatie-motivatie van lhno-leerlingen. een begeleidingsproject met 18 leerlingen van een school voor lhno in Amsterdam-West. Pedagogisch Tijdschrift Forum voor Opvoedkunde.
Meer, b. van der (1984). Vergroting van de probleemoplossende en zelfvernieuwende capaciteit van de school via de planmatige aanpak van het zondebokfenomeen. Thomas 24, 11/12, 411-419.
Meer, B. van der (1991-1). Het zondebokfenomeen op school. In: Gelukkig op school? Emotionele stoornissen en het functioneren op school, onder redactie van A. Collot d'Escury-Koenigs, T. Engelen-Snaterse & J. Tijhuis. Lisse: Swets en Zeitlinger, 20-29.
Meer, B. van der (1993-4). De probleemaanpak. Nijmegen: Berkhout BV.
Meer, b. van der (1995-2). Attitudeverandering door middel van pestprojecten. In: Sociale vaardigheidstrainingen voor kinderen, indicaties, effecten, knelpunten, onder redactie van A. Collot d'Escury-Koenigs, T. Engelen-Snaterse & E. Mackaay-Cramer. Lisse: Swets en Zeitlinger, 263-274.
Meer, b. van der (1993-5). Machtsmisbruik op school. Schiedam: Segers.

Bob van der Meer
Psycholoog
Europees Expertisecentrum voor Veiligheid
www.pesten.net 

Artikel afkomstig van www.bobvandermeer.info:
http://www.bobvandermeer.info/index.php?option=com_content&task=view&id=353&Itemid=1

© Bob van der Meer, 2017
© Alle rechten voorbehouden
© Bobvandermeer.info, 19.11.2017 10:14
http://www.bobvandermeer.info