Wie is verantwoordelijk 1

Leerlingen plegen (zelf)moord vanwege pesten: wie is verantwoordelijk?
Een discussie
Bob van der Meer

Onderstaand artikel is, onder dezelfde titel, opgenomen in het septembernummer van het magazine van Stichting Veilig Onderwijs (SVO). Dit magazine is niet alleen aan plus minus 10 000 scholen gestuurd, maar ook aan de volgende onderwijs(vak)organisaties: AoB, AVS, Beter Onderwijs Nederland, CNV Onderwijs, Federatie van Onderwijsvakorganisaties, Kinderombudsman, MBO Raad, ministerie van OCW, PO Raad, VO Raad en VOS/ABB. Het artikel is met toestemming van SVO overgenomen. Het doel is: een discussie op gang brengen over de vraag wie verantwoordelijk is of kan worden gesteld voor de negatieve gevolgen van pesten.

INLEIDING
De rubriek Wie is verantwoordelijk bestaat uit drie delen. In de eerste plaats de versie zonder literatuurverwijzingen en noten: Wie is verantwoordelijk 1. In de tweede plaats de versie met literatuurverwijzingen en noten: Wie is verantwoordelijk 2. En in de derde plaats wordt in Wie is verantwoordelijk 3 van een aantal noten originele en reeds lang bestaande producten opgenomen. In de tekst worden nummers en titels genoemd. Als men op een van deze titels klikt, verschijnt, zo is de bedoeling, de tekst, die slechts kan worden ingezien en niet gedownload. Het betreft de noten 13, 14, 16, 17, 19, 20, 21, 35, 37 en 38. Omdat een aantal van deze producten informatie bevatten die niet door iedereen zal worden geapprecieerd, leg ik deze producten eerst ter controle voor aan mijn rechtsbijstandsverzekeraar ARAG. Pas wanneer de verzekeraar het groene licht heeft gegeven, plaats ik ze op deze site. Ik wil namelijk niet nog een keer gedreigd worden met een proces wanneer ik kritiek uit.

SITUATIESCHETS
Door de publicatie in 1988 van het boek De zondebok in de klas kwam in Nederland aandacht voor pesten op school.
Een totaal uit de hand gelopen pestsituatie
Niet lang daarna werd ik gebeld door de directeur van een school voor basisonderwijs in Friesland. Op deze school was sprake van een totaal uit de hand gelopen pestsituatie. Drie jongens uit groep 7 oefenden een ware terreur op hun klas- en schoolgenoten uit: ze pestten, gebruikten geweld en persten hun slachtoffers geld af. De ouders van een van de slachtoffers, beiden advocaat, hadden gedreigd de school voor de rechter te dagen als het probleem niet werd aangepakt. De directeur wilde daarom een lezing voor ouders en leerkrachten. Nadat de lezing was gegeven schakelde het bestuur op eigen initiatief een psychiater in. De eerste jongen bleek een notoire meeloper te zijn. Van de tweede was de thuissituatie zó slecht dat het een wonder mocht heten dat hij ‘slechts’ pestte. En de derde jongen werd gedwongen opgenomen in een psychiatrisch kinderziekenhuis. Vanaf dat moment druk ik, ter voorkoming van processen over een goede aanpak van pesten, scholen op het hart een goed beleidsplan op het onderwerp te maken, het ter goedkeuring voor te leggen aan alle schoolgeledingen, en, eenmaal aanvaard, uit te voeren en eens per jaar te evalueren.

Drie eisen voor een goede aanpak van pesten
In 1995 waren mijn drie eisen voor een goede aanpak van pesten in drie boeken vastgelegd, was een checklist met – nu zestig - criteria ontwikkeld met behulp waarvan scholen konden analyseren of en in hoeverre hun beleid aan deze criteria voldeed, waren pilots uitgevoerd, producten ontwikkeld, werd de website www.pesten.net voorbereid en kon het probleem worden aangepakt en opgelost. 
De eerste eis was: de aanpak is in twee opzichten integraal, enerzijds door pesten op te vatten als geweld en het aldus in te kaderen binnen een verklaringsmodel van geweld, anderzijds door alle partijen (zwijgende middengroep, pester, leerkracht, ouder en slachtoffer) bij het probleem te betrekken: mijn vijfsporenaanpak van pesten. De tweede eis: de aanpak is structureel, waaronder wordt verstaan dat aandacht dient te worden besteed aan de trits signaleren, analyseren, plan opzetten en uitvoeren, evalueren. De derde en laatste eis: de aanpak leidt tot attitudeverandering. Tot slot werden producten ontwikkeld met behulp waarvan scholen zelf niet alleen goed beleid konden maken, maar zich ook konden professionaliseren en zelf onderzoek naar de effecten uitvoeren.

Ministerie van OCW
Omdat het Katholiek Pedagogisch Centrum (KPC), waar ik op dat moment werkte, mij het werken onmogelijk dreigde te maken, nam ik contact op de directeur van de Vereniging voor Openbaar Onderwijs (VOO), vertelde hem dat ik weg wilde, waarop hij contact opnam met de zusterorganisatie van het KPC, het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum (APS). Ik mocht solliciteren en werd aangenomen. Wat ik toen niet wist was dat aan mijn naam een jaarlijks bedrag van acht ton gulden en later jaarlijks een miljoen euro was verbonden en het APS, door mij aan te nemen, deze bedragen in de schoot kreeg geworpen.
Het probleem kon nu worden aangepakt, dacht ik, maar - naar nu bleek – niet door mij. Het geld was binnen, ik werd ‘kaltgestellt’. De reden hiervoor was dat ik, als een van de drie leden van de zogenoemde Kleine Commissie die de Campagne De veilige school van het ministerie van OCW uitvoerde, in een brief aan het ministerie van OCW, bezwaar maakte tegen de binnen dit project gemaakte producten en vanwege principiële redenen vrijwillig ontslag nam als lid van deze commissie. Van mijn expertise werd na deze kritiek geen gebruik meer gemaakt en was ik uitgerangeerd. 
 
Stichting E2V2
Om toch mijn target te kunnen halen ontwikkelde ik met eigen geld veel producten en maakte ik de inkomsten hieruit over op mijn begrotingsnummer van het APS. Ook richtte ik de Stichting Europees Expertisecentrum voor Veiligheid (E2V2) op, werd directeur van de stichting, stelde een bestuur en een Comité van Aanbeveling van hotshots uit de Nederlandse samenleving samen en liet in de statuten opnemen dat de stichting op het onderwerp pesten en geweld aan iedere organisatie gevraagd en ongevraagd adviezen mocht geven op de aanpak ervan. De redenen voor het oprichten van een eigen stichting waren in de eerste plaats dat ideële stichtingen, zoals Stichting Kinderpostzegels Nederland, Unique Child Foundation, RABO Bank Foundation en Stichting Achmea Slachtoffer en Samenleving, slechts subsidie verleenden voor antipest projecten aan stichtingen en in de tweede plaats dat ik hierdoor kritiek kon blijven geven. Zo had ik namelijk op 05-04-2001 aan Karin Adelmund, toenmalig staatssecretaris van OCW, een brief geschreven, door welke actie ik klokkenluider werd en daardoor in ongenade viel bij niet alleen de directie van het APS, maar nu voor de tweede keer bij het ministerie van OCW. Ik had haar namelijk op de hoogte gesteld van het feit dat een ambtenaar van haar ministerie haar had voorzien van onjuiste informatie. Had ik dat als voorzitter van mijn stichting gedaan, dan zou ik geen klokkenluider, maar zouden het mijn taak en plicht zijn geweest.
Met hulp van de jurist van mijn vakbond, de KVLO, kon ik  met FPU, verliet het APS, bleef aan het ministerie brieven schrijven, totdat minister van Bijsterveldt mij een brief schreef met de mededeling dat brieven van mij over het onderwerp pesten niet meer beantwoord zouden worden, welk bericht staatssecretaris Dekker onlangs herbevestigde.

Zelfmoorden vanwege pesten
Toen Tim Ribberink in november 2012 vanwege pesten een einde aan zijn leven maakte, kort daarna Fleur Bloemen en de zes andere leerlingen die de pers niet haalden, hetzelfde deden, raakte Nederland in een shock. Staatssecretaris Dekker die door deze zelfmoorden voor zijn politieke lot moest vrezen, sloot een pakt met kinderombudsman Dullaert, die daardoor zijn onafhankelijkheid, de voornaamste reden voor de functie, opgaf; sprak zich uit voor een bepaalde methode, waarna de kinderombudsman hetzelfde deed, maar nu voor een andere methode; formeerden zij direct daarop - voor de vorm - een groep belanghebbenden; maakten zelf een Plan van aanpak pesten, in welk plan zij als een van de oplossingen opnamen dat het Nederlands Jeugd Instituut (NJI) een deskundige en onafhankelijke Commissie Antipest programma’s zou samenstellen, waarna een van de leden de drie volgende criteria voor een goed antipest programma formuleerde: het antipest programma is theoretisch goed onderbouwd; het programma is empirisch adequaat onderbouwd; randvoorwaarden om het programma uit te voeren zijn duidelijk beschreven. 
Geen woord over de zestig reeds lang bekende criteria; geen woord over de manieren voor scholen om moord en zelfmoord vanwege pesten te voorkomen en, als het op zou treden, ermee om te gaan; geen woord over eenvoudige maatregelen om pesten aan te pakken; geen woord over het feit dat alle ontworpen antipest programma’s slechts waren ontwikkeld voor het basisonderwijs en er geen methoden beschikbaar waren voor het voortgezet onderwijs en het mbo; geen woord over het feit dat een van de methoden een zwak aftreksel was van de hierboven genoemde drie eisen; geen woord over het feit dat geen enkel NJI-commissielid onafhankelijk was; geen woord over het feit dat onderzoek had aangetoond dat niet een methode, maar aandacht voor het onderwerp, belangrijk was, nee slechts drie zeer algemene onderzoekcriteria. Om de schijn van belangenverstrengeling te voorkomen - zij had een eigen antipest programma ontwikkeld dat zij graag wilde laten beoordelen  - verliet de hoogleraar, die de drie criteria had geformuleerd, de groep, waarna haar methode werd goedgekeurd. 

Wie is verantwoordelijk?
Nu dan de beantwoording van de vraag wie verantwoordelijk kan worden gesteld wanneer een leerling een (zelf)moord vanwege pesten pleegt. 
Stel in de eerste plaats dat in het antipest beleid van de school is opgenomen dat de school uitgaat van mijn - hierboven genoemde - vijf sporen aanpak van pesten. Dan kan ik, met behulp van de - eveneens eerder genoemde - zestig criteria, het door de school geformuleerde antipest beleid, het leerlingendossier van het slachtoffer en het leerlingendossier van de pester(s), vaststellen dat de school de (zelf)moord niet kan worden verweten en kan de school worden vrijgepleit. Als de analyse uitwijst dat de school schuld heeft aan de (zelf)moord, kan de school zich op grond van bovenstaande informatie echter beroepen op het gebrek aan beleid van het ministerie van OCW inzake pesten. Had het ministerie van OCW namelijk in 1995 mijn drie eisen voor een goede aanpak van pesten serieus genomen, dan hadden scholen zodanige maatregelen getroffen, dat (zelf)moorden vanwege pesten niet zouden zijn uitgevoerd en, hadden ze wel plaatsgevonden, dan hadden scholen zich op vrij eenvoudige wijze vrij kunnen pleiten.
Stel in de tweede plaats dat een leerling van een school, die een antipest methode toepast, die door de Commissie Antipest programma’s werd goedgekeurd, de (zelf)moord pleegt. Kan de school dan het NJI hiervoor aansprakelijk stellen dat zich voor het karretje van Dekker & Dullaert liet spannen of kan de school de leden van de Commissie Antipest programma’s hiervoor hoofdelijk aansprakelijk stellen, dan wel staatssecretaris Dekker en - in zijn kielzog – kinderombudsman Dullaert? Zij spraken in de pers hun voorkeuren uit voor ieder een eigen methode, hoorden niet alle deskundigen, gingen niet in op de kritiek die een van de leden van de door hen beiden samengestelde groep belanghebbenden uitoefende, stelden de leden van de Commissie Antipest programma’s voor als onafhankelijk en deskundig, wat zij aantoonbaar niet waren. 
En stel in de derde plaats dat een of meer ouders van leerlingen die in het verleden een (zelf)moord vanwege pesten hebben begaan, het ministerie van OCW verantwoordelijk stellen vanwege het feit dat het ministerie een deskundige op dit onderwerp met alle mogelijke middelen de mond heeft gesnoerd, wat zou dan de uitkomst zijn?
Alles overziend heeft het ministerie van OCW er naar mijn mening een rotzooi van gemaakt en voorzie ik veel processen. De oorzaak van deze processen ligt dan niet bij de toegenomen mondigheid van ouders, zoals het ministerie ons wil laten geloven, maar in de onkunde en het machtsmisbruik bij het ministerie van OCW.

Tot slot
Tot slot de vraag of er nog iets leuks is te melden. Het is dat u mij ernaar vraagt. Op dit moment loopt er een mooi pilotproject bij het Koning Willem 1 College in Den Bosch. Informatie erover is te vinden in het juni-nummer van Profiel, onafhankelijk blad voor het mbo. Het enige probleem is dat in het beleidsplan van het KW1C onder andere wordt uitgegaan van mijn vijf sporen aanpak van pesten. Het zal duidelijk zijn dat ik erop toe zal zien dat mijn aanpak goed wordt toegepast zodat, als er iets gebeurt, het KW1C en ik niet aansprakelijk kunnen worden gesteld.

In de rubriek Wie is verantwoordelijk zijn drie versies van het artikel Leerlingen plegen (zelf)moord vanwege pesten: wie is verantwoordelijk opgenomen. In de eerste plaats de versie zonder literatuurverwijzingen en noten: Wie is verantwoordelijk 1. In de tweede plaats de versie met literatuurverwijzingen en noten: Wie is verantwoordelijk 2. En in de derde versie wordt gebruik gemaakt van originele en reeds lang bestaande producten of wordt daarnaar verwezen: Wie is verantwoordelijk 3. Dezelfde activiteit kan worden uitgevoerd voor het onderwerp Pesten op het werk, maar dat laat ik nog even rusten.
   
Quod erat demonstrandum
Alles wat in Wie is verantwoordelijk 1, 2 en 3 wordt gesteld, dient door een onafhankelijke commissie te worden beoordeeld. De enige mogelijkheden daartoe zijn naar mijn mening een door de Tweede Kamer ingesteld parlementair onderzoek of een door de Tweede Kamer ingestelde parlementaire enquête.
Bron: Meer, B. van der (2015). Leerlingen plegen (zelf)moord vanwege pesten: wie is verantwoordelijk. Maarssen: Magazine Stichting Veilig Onderwijs, septembernummer.


Artikel afkomstig van www.bobvandermeer.info:
http://www.bobvandermeer.info/index.php?option=com_content&task=view&id=357&Itemid=1

© Bob van der Meer, 2017
© Alle rechten voorbehouden
© Bobvandermeer.info, 19.11.2017 10:14
http://www.bobvandermeer.info