Artikel Schooljournaal

Reactie op André Postema
Interview/artikel Schooljournaal
Nummer 14, 19-09-2015, pagina 10-12
Titel: ‘Pesten moet je altijd honderd procent serieus nemen’

B. van der Meer

Inleiding 
Op 06-01-2014 nam Caroline Dijkman, docente biologie/verzorging aan het Sint Maartenscollege in Maastricht, e-mailcontact met mij op. Ze vertelde dat ze ziek thuis zat. De reden: ze was door haar collega's biologie/verzorging gepest. Haar vraag was of datgene wat zij had meegemaakt pesten genoemd kon worden.
Ik legde haar mijn werkwijze uit en verwees hiervoor naar de rubriek Pesten op het werk, eerste kolom verticaal op mijn website www.pesten.net, nummer 004,3, getiteld Hulp aan op het werk gepeste mensen.
Omdat zij psychisch niet meer tegen de situatie kon, mailde ik - volgens afspraak - de uiteindelijke analyse in april van dat jaar, aan haar man en adviseerde hem Caroline te vragen zich onder de hoede te stellen van een psycholoog of psychiater die bevoegd was een ptss-test af te nemen. Dit advies geef ik aan iedere op het werk gepeste medewerker. De reden hiervoor is dat Leymann, de vader van aandacht voor pesten op het werk, in zijn onderzoek in Zweden had aangetoond dat, als men langer dan zes maanden op het werk was gepest, men een grote kans op een post traumatisch stresssyndroom liep. De door Caroline en haar man ingeschakelde psycholoog weigerde dit echter om voor haar moverende redenen. 
In augustus 2015 ontving ik een e-mailbericht van de man van Caroline met de mededeling dat Caroline zich van het leven had beroofd. Ik ben haar begrafenis gegaan en heb, alhoewel zij mij had toegestaan informatie aan de pers over mijn analyse te geven, dit tot op heden om voor mij moverende redenen niet gedaan.
Zoals gezegd verscheen op 19-09-2015 in het blad Schooljournaal een interview met de voorzitter van de Raad van Bestuur van de Stichting Limburgs Voortgezet Onderwijs (LVO). Uit het interview wordt duidelijk dat Stichting LVO beschikte over een Klachtencommissie, die zich had gebogen over de klacht van Caroline dat ze werd gepest. Deze commissie was echter tot de conclusie gekomen dat in haar geval geen sprake was geweest van pesten, om welke reden zij mij op 06-01-2014 een mail stuurde met de vraag of datgene wat zij had meegemaakt pesten genoemd kon worden.
Uit het artikel hieronder een citaat, waarna mijn reactie. Als volgt.

CITAAT  
In bewust artikel is onder de kop DESTRUCTIEF de volgende tekst opgenomen:
“Waar ik moeite mee heb is dat wij volgens mij in alles voldoen aan de professionele structuur die we met zijn allen, deels vanuit de wetgeving, deels vanuit de medezeggenschap, hebben voor dit soort situaties op scholen. Er is een vertrouwenspersoon, een bedrijfsarts, bedrijfs- en arbeidshulpverlening en een onafhankelijke klachtencommissie met een volwassen, eerlijke samenstelling.
Door de schrijnendheid van Carolines dood raakt dit allemaal op de achtergrond. En dat terwijl de door haar ingeroepen pestdeskundige Bob van der Meer, volgens mij stelt dat het eerste wat moet worden gedaan om pesten op de werkvloer tegen te gaan is het aanstellen van een vertrouwenspersoon en onafhankelijke klachtencommissie. Om nou te zeggen dat hun bevindingen niet deugen als de commissie in ons voordeel beslist doet mij vertwijfeld afvragen wat dan wel goed genoeg is? Hoeveel onafhankelijke mediators hadden we dan moeten aanbieden?”

MIJN REACTIE
Ontwikkelingen

Eerste project vertrouwensgroep
In het laatste jaar van het door het ministerie van OCW gestarte emancipatieproject lbo (1984-1987) werd een geval bekend van seksuele intimidatie van een leerkracht ten opzichte van een aan zijn zorg toevertrouwde leerling. Het ministerie  startte daarom direct na afloop van dit project, het – naar later bleek – eerste project vertrouwensgroep. Vijf scholen uit het emancipatieproject lbo werden daarom in 1987 gevraagd een vertrouwenspersoon aan te stellen, ervaringen op te doen met het werk van vertrouwenspersonen inzake seksuele intimidatie en over hun ervaringen een publicatie  te maken.  Omdat de vertrouwenspersonen op de vijf scholen in het geheel niet werden geconfronteerd met seksuele intimidatie, maar wel met gevallen van kindermishandeling en seksueel misbruik binnen het gezin én de landelijke campagne tegen kindermishandeling met als titel ‘Over sommige geheimen moet je praten’ op komst was (1991-1992), beperkten we ons tot een publicatie over kindermishandeling en seksueel misbruik, met als titel Handleiding vertrouwensgroep kindermishandeling en seksueel misbruik (1990).

Tweede project vertrouwensgroep
Na oplevering van het boek vroeg het ministerie mij eenzelfde handleiding te schrijven, maar nu over het onderwerp seksuele intimidatie. Omdat over dit onderwerp nog weinig bekend was; een boek hierover door scholen niet gekocht zou worden; seksuele intimidatie één van de vormen van machtsmisbruik binnen scholen was én een breder kader voor dit probleem noodzakelijk was, vroeg ik het ministerie om uitbreiding van de taak. Ik zou graag een boek schrijven over alle vormen van machtsmisbruik, gespecificeerd naar lichamelijk, geestelijk of seksueel geweld tussen de volgende schoolgeledingen: leerlingen onderling; leerlingen en leerkrachten; leerkrachten en leerlingen; personeel onderling; tussen school en ouders en tussen ouders en school.
Mevrouw mr. G. Blokdijk-Houwert, loco secretaris-generaal van het ministerie van OCW, ging met de nieuwe opdracht akkoord en ik zette mij aan het schrijven van het boek Machtsmisbruik op school. In 1993 kwam het uit, met op de achterflap de volgende tekst van mevrouw Blokdijk:
“In Machtsmisbruik op school wordt op een heldere en toepasbare wijze de begeleiding geschetst waarmee iedere school, groot of klein, vorm kan geven aan haar beleid op dit gebied. De auteur laat feilloos de mechanismen zien die optreden bij een proces van machtsmisbruik en presenteert een solide pakket instrumenten, met als kern een onafhankelijke vertrouwensgroep die is ingebed in het systeem van leerlingbegeleiding van de school”.

Workshops en lezingen 
In workshops en lezingen gaf ik daarna informatie over vertrouwenspersonen, klachtencommissies en klachtenprocedures om er op een gegeven moment achter te komen dat sommige vertrouwenspersonen en klachtencommissies niet altijd onafhankelijk en deskundig waren en dat sommige klachtenprocedures niet alleen niet altijd even goed doordacht waren, maar ook werden misbruikt, om welke redenen ik deze oplossingen voor alle vormen van machtsmisbruik of ongewenste omgangsvormen tussen de verschillende schoolgeledingen opgaf.

Drie eisen voor een goede aanpak van pesten
In 1995 had ik mijn drie eisen voor een goede aanpak van pesten tussen leerlingen in drie boeken vastgelegd, welke eisen ook opgingen voor pesten op het werk. Zie voor pesten tussen leerlingen op school de rubriek Een goede aanpak van pesten: drie eisen, tweede kolom verticaal op mijn website www.pesten.net. En voor mijn drie eisen voor pesten op het werk de rubriek 3eisenbedrijfsleven, derde kolom verticaal op deze site.

Leerlingen verantwoordelijk maken voor elkaars psychosociale veiligheid
Na het verschijnen van mijn boek De zondebok in de klas in 1988 voerde ik een aantal pilotprojecten uit. In al deze projecten nam ik bij alle personeelsleden een enquête af naar (de) mogelijke ongewenste omgangsvormen tussen de hierboven onderscheiden groepen: leerlingen onderling, leerlingen en leerkrachten, leerkrachten en leerlingen, personeelsleden onderling, tussen school en ouders en tussen ouders en school.
Eén van deze pilotprojecten was een project op de Cornelis Musiusschool in Delft in 1992, welk project kort werd beschreven in de brochure, behorend bij de landelijke actie tegen pesten in 1992, gestart door de landelijke organisaties voor ouders in het onderwijs (LOBO, NKO, Ouders en Coo, VOO), getiteld Pesten, over en uit. In dit project maakten de leerlingen zelf regels, welke methode berustte op de theorie van Piaget, de Zwitserse ontwikkelingspsycholoog, die betoogde dat er een relatie bestond tussen regels en moreel gedrag. Soortgelijke projecten werden ook uitgevoerd met twee scholen voor basisonderwijs in Rotterdam-Noord; scholen in Boxmeer, Bergambacht, Haarlem, Ammerzoden en Nijmegen; vier scholen in de wijk Kanaleneiland in Utrecht; drie scholen in Amsterdam en negen scholen rond Cuijk. In al deze pilotprojecten werd aan de personeelsleden gevraagd om in vertrouwen alle ongewenste omgangsvormen op te schrijven tussen de leerlingen onderling, leerlingen en leerkrachten, leerkrachten en leerlingen, personeel onderling, school en ouders en tussen ouder en school. Na afloop van het project stelden de leerkrachten van groep 1-3 regels voor hun leerlingen vast, terwijl in groepen 4-8 de leerlingen met elkaar regels vaststelden. Eén van door de school in de regels van de leerlingen verplicht op te nemen regel was: ‘Als er in de klas of groep wordt gepest, heeft iedereen: pester, slachtoffer of leden van de zwijgende middengroep, het  recht en de plicht dit aan elkaar, ouders en leerkracht te vertellen en dit noemen we geen klikken’. Deze regel werd ingevoerd vanwege het psychologisch mechanisme ‘de samenzwering om te zwijgen’, een term afkomstig uit de literatuur over kindermishandeling. Door deze regel werd de zwijgplicht doorbroken en werden leerlingen verantwoordelijk gemaakt voor elkaars psychosociale veiligheid.

Medewerkers verantwoordelijk maken voor elkaar psychosociale veiligheid
Dezelfde methodiek paste ik toe voor medewerkers binnen bedrijven. Voorbeelden hiervan zijn: Waternet in Amsterdam, Afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid in Groningen en Caterpillar in Den Bosch, welke methodiek ik ook, zoals gezegd, toepaste in een van de hierboven genoemde pilotprojecten, het pilotproject op een school voor basisonderwijs in Ammerzoden. 
De directeur van deze school vroeg mij om een studiedagdeel te organiseren over normen en waarden binnen het team en de slechte omgangsvormen tussen zijn personeelsleden. Mijn antwoord hierop was dat, als men een studiedagdeel wilde laten mislukken, men als onderwerpen normen en waarden en/of slechte omgangsvormen binnen het team moest nemen. 
Mijn tegenvoorstel was om, als uitgangspunt voor het studiedagdeel, pesten tussen leerlingen te nemen en op het einde van het dagdeel de enquête naar mogelijke ongewenste omgangsvormen tussen leerlingen onderling, leerlingen en leerkrachten, leerkrachten en leerlingen, personeel onderling, school en ouders en ouders en school af te nemen. In paragraaf 3.2 van mijn boek School en geweld, oorzaken en aanpak  (2000) op pagina 75-81, een verslag en de resultaten van dit studiedagdeel.

Commentaar 1
Door de belofte op absolute anonimiteit bij de afname van de enquête naar mogelijke ongewenste omgangsvormen tussen leerlingen onderling, leerlingen en leerkrachten, leerkrachten en leerlingen, personeel onderling, school en ouders en ouders en school, verkrijgt men een volledig overzicht van alle mogelijke ongewenste omgangsvormen tussen leerlingen, ouders en onderwijspersoneel. Op deze manier aangepakt heeft de vertrouwenspersoon een volledig overzicht van ongewenste omgangsvormen tussen alle schoolgeledingen en is niet alleen zijn of haar functie in feite overbodig geworden, maar ook die van klachtencommissies. In plaats van op elke school een of meer vertrouwenspersonen aan te stellen is, wanneer bovenbeschreven methode wordt toegepast, in Nederland nog slechts behoefte aan een  poule van niet alleen zeer gespecialiseerde vertrouwenspersonen, die geen enkele binding met welke doelgroep dan ook hebben, maar ook van zeer gespecialiseerde leden van slechts één klachtencommissie voor zeer specifieke dan wel uitzonderlijke klachten, waarvan de leden ook nu weer geen enkele binding met welke doelgroep dan ook hebben.

Commentaar 2
Deze methode was in ieder geval in 2000 bekend, want opgenomen in de in 2000 uitgebrachte publicatie School en geweld, oorzaken en aanpak.

Commentaar 3
Als de opmerking van de heer Peters, oud-docent van het Sint Maartenscollege, in de Volkskrant, d.d. 12-09-2015, waar is dat Caroline Dijkman door haar collega’s Biologie was gepest, had ik, wanneer ik als deskundige was geconsulteerd, in overeenstemming met de vele door mij in het onderwijs en in het bedrijfsleven met succes uitgevoerde pilotprojecten, en met behulp van de in een publicatie uit 2000 beschreven methode, als advies gegeven tijdens een studiedagdeel voor het hele team een anonieme enquête bij alle personeelsleden af te nemen, om de gegevens, na verwerking van de resultaten, naar het team terug te koppelen. De afname van een dergelijke enquête had eventuele problemen binnen de vakgroep biologie/verzorging van het Sint Maartenscollege in Maastricht boven tafel gebracht, waardoor een eventueel probleem niet (meer) ontkend had kunnen worden; had de directie direct daarop niet alleen adequate maatregelen kunnen, maar ook moeten, treffen en was de situatie niet op een dergelijke desastreuze manier geëscaleerd.
 
Commentaar 4
De opmerking van de bestuursvoorzitter van Stichting LVO, als zou ik, ter aanpak en oplossing van pesten tussen volwassenen op school, een vertrouwenspersoon, klachtencommissie en klachtenprocedure adviseren, is sinds het verschijnen van mijn boek School en geweld, oorzaken en aanpak in 2000, derhalve al 15 jaar niet meer houd- en verdedigbaar.

Commentaar 5
Op mijn website www.pesten.net zijn drie rubrieken aan pesten tussen volwassenen op het werk gewijd: CV Bedrijfsleven, eerste kolom verticaal op deze site; Pesten op het werk, eerste kolom verticaal op de site; en 3eisenbedrijfsleven, derde kolom verticaal op www.pesten.net. Deze rubrieken zijn na 1997, het jaar waarin mijn boek Pesten op het werk werd uitgebracht, op de site geplaatst. In geen van deze drie rubrieken wordt enige melding gemaakt van (de noodzaak van) vertrouwenspersonen, klachtencommissies en klachtenprocedures. 

Commentaar 6
Tot slot de vraag wie verantwoordelijk kan worden gesteld voor het feit dat scholen door het woud van maatregelen en functionarissen het bos niet meer zien en zich vertwijfeld afvragen wat ze nog meer of anders hadden kunnen of moeten doen aan de (zelf)moorden van leerlingen vanwege pesten of had moeten doen ter voorkoming van de zelfmoord vanwege pesten van in ieder geval een docente. Deze vraag wil ik door middel van een discussie, een parlementair onderzoek, een parlementaire enquête of een rechtszaak  tegen het ministerie van OCW beantwoord zien. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van Dat wil je niet weten 2, mijn werkzaamheden bij het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum in de periode 1995-2003. In dit verslag wordt aangetoond dat alle kennis over een goede aanpak van pesten op school in 1995 en alle kennis over een goede aanpak van pesten op het werk in 2000 aanwezig was, maar door nader te onderzoeken oorzaken door dit ministerie niet werd gebruikt.


Drs. B. van der Meer
Psycholoog
Directeur Europees Expertisecentrum voor Veiligheid
Hildebrandstraat 14
5242 GE Rosmalen
073-5217753/06-20406009
Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken
www.pesten.net
www.expertisecentrumgeweld.nl

Bronnen
Effting, M. & A. Stoffelen (2015). Collega’s pestten haar. Caroline kan er niet meer tegen. De Volkskrant, 12-09-2015, pp. 12-14.
Magnee, P. (2015). Pesten moet je altijd honderd procent serieus nemen. Schooljournaal, nummer 14, 19-09-2015, pp. 10-12.
Meer, B. van der (1988). De zondebok in de klas. Nijmegen: Berkhout BV.
Meer, B. van der, e.a.(1990-2). Handleiding vertrouwensgroep kindermishandeling en seksueel misbruik. Schiedam: Segers.
Meer, B. van (1991-1). Het zondebokfenomeen op school. In: Gelukkig op school? Emotionele stoornissen en het functioneren op school, onder redactie van A. Collot d’Escury-Koenigs, T. Engelen-Snaterse & L. Tijhuis, pp. 107-122.
Meer, B. van der (1993-3). Een vijfsporenaanpak van het zondebokfenomeen op school. Nederlandse Vereniging voor adolescentenzorg, pp. 20-29. 
Meer, B. van der (1993-4). De probleemaanpak. Nijmegen: Berkhout BV.
Meer, B. van der (1993-5). Machtsmisbruik op school. Schiedam: Segers.
Meer, B. van der (1995-1). Attitudeverandering door middel van pestprojecten. In: Sociale vaardigheidstrainingen, indicaties, effecten, knelpunten, onder redactie van A. Collot d’Escury-Koenigs, T. Engelen-Snaterse & E. Mackaay-Cramer, pp. 263-274.
Meer, B. van der (1997-3). Pesten op het werk. Assen: Van Gorcum.
Meer, B. van der (2000-3). School en geweld, oorzaken en aanpak. Assen: Van Gorcum. 
Meer, B. van der (2006-4). Dat wil je niet weten 1, mijn werkzaamheden bij het Katholiek Pedagogisch Centrum. Rosmalen: Europees Expertisecentrum voor Veiligheid. 
Meer, B. van der (2008-2). Dat wil je niet weten 2, mijn werkzaamheden bij het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum in de periode 1995-2003. Rosmalen: Europees Expertisecentrum voor Veiligheid.
Meer, B. van der (2014). Geweld als (onderwijs)probleem. Rosmalen: Europees Expertisecentrum voor Veiligheid.
Artikel afkomstig van www.bobvandermeer.info:
http://www.bobvandermeer.info/index.php?option=com_content&task=view&id=363&Itemid=1

© Bob van der Meer, 2017
© Alle rechten voorbehouden
© Bobvandermeer.info, 19.11.2017 10:13
http://www.bobvandermeer.info